FAQ
Overzicht
1. Wat is en hoe werkt een levensverzekering?
1.1 De basiskenmerken van een levensverzekering
Wat is het fundamentele kenmerk van een levensverzekering?
Kunnen in één levensverzekering twee verzekerden optreden?
1.2 Wie zijn de partijen en wat zijn hun rechten?
Wie zijn de onderscheiden partijen?
Wat zijn de rechten van de verzekeringnemer?
Wat zijn de rechten van de verzekerde?
Op wat heeft de begunstigde recht als het verzekerd voorval zich voordoet?
Valt de verzekeringsprestatie in de nalatenschap van de overleden verzekeringsnemer?
Wat zijn de gevolgen van het feit dat de begunstigde de begunstiging aanvaardt?
1.3 Welke rechten kunnen schuldeisers laten gelden?
2. Begunstiging in het kader van een levensverzekering
2.1 Aanduiding en herroeping van de begunstigde
Wat houdt het exclusief recht van de verzekeringnemer juist in?
Wat voorzien de meeste polissen in de praktijk?
Welke personen kunnen niet als begunstigde worden aangeduid?
Wat is het belang van het schriftelijk bewijs?
Kan de begunstigde via een testament gewijzigd worden?
Wat is het verschil tussen een generieke en een nominatieve begunstigingsaanwijzing?
Waarop moet er gelet worden bij meerdere begunstigden in gelijke rang?
Waarop moet er gelet worden bij levensverzekeringen met twee verzekeringnemers?
Met welke aandachtspunten moet men rekening houden bij de aanduiding van de echtgenoot als begunstigde?
Met welke aandachtspunten moet men rekening houden bij de aanduiding van de kinderen als begunstigde?
Met welke aandachtspunten moet men rekening houden bij de gezamenlijke aanduiding van de echtgenoot en
de kinderen als begunstigde?
2.2 Rechten van de begunstigde
Wat is de betekenis van het feit dat de begunstigde een ‘eigen recht’ geniet op de verzekeringsprestatie?
Wat is de impact van de aanvaarding van de begunstiging?
Wat zijn de gevolgen van de aanvaarding?
2.3 Positie van de (reservataire) erfgenamen van de verzekeringnemer
Wat betekenen inbreng en inkorting?
Wat is de impact van inbreng en inkorting op levensverzekeringen?
2.4 Positie van de echtgenoot van de verzekeringnemer
Welke obstakels zijn er bij het ‘buitenspel’ zetten van de echtgenoot in het kader van een levensverzekering?
Welke obstakels zijn er bij het zo veel mogelijk begunstigen van de echtgenoot in het kader van een
levensverzekering?
2.5 Levensverzekering gesloten door een niet ontvoogde minderjarige
Welke aandachtspunten zijn er bij het sluiten van een levensverzekering in naam van een niet ontvoogd
minderjarig kind?
3. Successierechten op beleggingsverzekeringen
Moeten er successierechten betaald worden op uitkeringen in het kader van beleggingsverzekeringen?
Zijn er specifieke bepalingen inzake successierechten bij echtgenoten gehuwd met gemeenschap van goederen?
Welke meldingsplicht is er inzake successierechten?
4. Enkele toepassingen
4.1 Wat is een ‘successierechtenverzekering’?
Welke toepassing kan er gemaakt worden van beleggingsverzekeringen bij conventionele terugkeer?
Welke toepassing kan er gemaakt worden van beleggingsverzekeringen bij een last van lijfrente of van periodieke
uitkering?
4.2 Welke mogelijkheden biedt een levensverzekering met twee verzekeringnemers?
1. Wat is en hoe werkt een levensverzekering?
1.1 De basiskenmerken van een levensverzekering
De landverzekeringsovereenkomst (verder afgekort als ‘W.L.V.O.’) definieert de levensverzekeringen als “persoonsverzekeringen, waarbij het zich voordoen van het verzekerd voorval alleen afhankelijk is van de menselijke levensduur”.
Wat is het fundamentele kenmerk van een levensverzekering?
Het fundamentele kenmerk van een levensverzekering is dat het verzekerd voorval dat aanleiding geeft tot de uitkering van de verzekeringsprestatie, enkel betrekking mag hebben op de menselijke levensduur:
• in leven zijn van de verzekerde op een bepaalde datum
• overlijden van de verzekerde vóór een bepaalde datum
• overlijden van de verzekerde ongeacht de overlijdensdatum (men spreekt in dit laatste geval van een ‘levenslange’
verzekering), enz.
Kunnen in één levensverzekering twee verzekerden optreden?
In eenzelfde levensverzekering kunnen ook twee of meer verzekerden optreden.
In aanwezigheid van twee verzekerden kan het verzekerd voorval gedefinieerd worden als
• of het overlijden van de ene of de andere verzekerde (‘eerste overlijden’)
• het in leven zijn (op een bepaalde datum)
• of het overlijden van beide verzekerden (‘laatste overlijden’)
• of nog, het nog in leven zijn van de ene verzekerde bij het overlijden van de andere verzekerde (‘overlevingsverzekering’).
1.2 Wie zijn de partijen en wat zijn hun rechten?
Wie zijn de onderscheiden partijen?
Naast de verzekeraar, komen in een levensverzekering een verzekeringnemer, een verzekerde en een begunstigde voor:
• de verzekeringnemer is de persoon die de verzekering sluit
• de verzekerde is de persoon op wiens hoofd het zich voordoen van het verzekerd voorval berust (bijvoorbeeld
het overlijden)
• de begunstigde de persoon aan wie de verzekeringsuitkering toekomt wanneer het verzekerd voorval zich in hoofde van
de verzekerde voordoet.
De hoedanigheden van verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde kunnen verenigd zijn in één enkel persoon, maar het kan evenzeer om verschillende personen gaan.
Wat evenwel niet kan is dat eenzelfde persoon tegelijk verzekerde en begunstigde bij overlijden is: men kan inderdaad niet geroepen zijn om bij zijn eigen overlijden een uitkering te genieten.
Wat zijn de rechten van de verzekeringnemer?
De belangrijkste zijn:
• het recht om de begunstigden aan te duiden, te wijzigen en te herroepen
• het recht van afkoop en het recht om de rechten die voortvloeien uit de polis te verpanden of over te dragen aan een
derde
Een algemeen kenmerk van die rechten is dat zij een exclusief karakter hebben, wat onder meer inhoudt dat derden (echtgenoot, schuldeisers, …) ze in principe niet kunnen uitoefenen (tenzij natuurlijk die rechten aan hen overgedragen werden) en dat die rechten als dusdanig in principe ook niet ‘vererfd’ worden bij het overlijden van de verzekeringnemer.
Wat zijn de rechten van de verzekerde?
De verzekerde kan in die loutere hoedanigheid in wezen geen enkel recht laten gelden op de levensverzekering, noch vóór noch bij het zich voordoen van het verzekerd voorval.
Op wat heeft de begunstigde recht als het verzekerd voorval zich voordoet?
Wanneer het verzekerd voorval zich voordoet (bijvoorbeeld het overlijden van de verzekerde), heeft de begunstigde recht op de verzekeringsprestatie.
Valt de verzekeringsprestatie in de nalatenschap van de overleden verzekeringsnemer?
De verzekeringsprestatie die toekomt aan een derde-begunstigde valt burgerrechtelijk normaal niet in de nalatenschap van de overleden verzekeringnemer. Het recht van de begunstigde op de verzekeringsprestatie staat met andere woorden in de regel los van de rechten die hij gebeurlijk op de nalatenschap kan uitoefenen als erfgenaam of legataris. Dit betekent onder meer dat het in ontvangst nemen door de begunstigde van het overlijdenskapitaal in het kader van een levensverzekering kan gecombineerd worden met de verwerping van de nalatenschap.
Wat zijn de gevolgen van het feit dat de begunstigde de begunstiging aanvaardt?
De begunstigde kan verder al tijdens de looptijd van de polis de begunstiging aanvaarden, weliswaar enkel mits het akkoord van de verzekeringnemer. Door de aanvaarding wordt de begunstigingsaanwijzing in principe onherroepelijk.
1.3 Welke rechten kunnen schuldeisers laten gelden?
Schuldeisers bekleden een weinig benijdenswaardige positie wanneer hun schuldenaar een (belangrijk) deel van zijn vermogen in een levensverzekering heeft ondergebracht.
Als er even abstractie wordt gemaakt van de nietigheidssanctie die weegt op sommige handelingen in het kader van de faillissementswetgeving, kan hieruit afgeleid worden dat op een lopende levensverzekering geen ‘uitvoerend beslag’ (zeg maar een ‘gedwongen afkoop’) kan gelegd worden.
2. Begunstiging in het kader van een levensverzekering
2.1 Aanduiding en herroeping van de begunstigde
Wat houdt het exclusief recht van de verzekeringnemer juist in?
De Landverzekeringswet kent aan de verzekeringnemer het recht toe de begunstigden aan te duiden en (later) te herroepen. Dit recht is exclusief voorbehouden aan de verzekeringnemer, wat onder meer inhoudt dat derden (echtgenoot, schuldeisers, wettelijke vertegenwoordigers, …) dit recht niet kunnen uitoefenen en dat dit recht normaal ook niet ‘vererfd’ wordt bij het overlijden van de verzekeringnemer.
Wat voorzien de meeste polissen in de praktijk?
In de praktijk voorzien de meeste polissen in een cascade of rangorde van begunstigden (bijvoorbeeld de echtgenoot van de verzekeringnemer, bij gebreke de kinderen van de verzekeringnemer, bij gebreke … ).
Welke personen kunnen niet als begunstigde worden aangeduid?
In toepassing van het burgerlijk recht inzake schenkingen, kunnen sommige personen normaal niet als begunstigden van een levensverzekering worden aangeduid:
• het gaat essentieel om de voogd (tenzij het om een ascendent gaat) en zelfs de gewezen voogd (zolang de
slotrekening over de voogdij niet gedaan en aangezuiverd is);
• alsook artsen, apothekers, ‘officieren van gezondheid’, beheerders en personeelsleden van rustoorden, rust- en
verzorgingstehuizen, bedienaren van de erediensten en andere geestelijken die de betrokkene hebben bijgestaan of
verzorgd tijdens de laatste ziekte.
Wat is het belang van het schriftelijk bewijs?
Zowel de initiële aanduiding als de latere wijziging of herroeping van de begunstigden wordt bewezen door een geschrift. Niet getekende polissen of polisbijvoegsels kunnen dan ook voor heuse conflictsituaties zorgen.
Bij een gebeurlijke latere wijziging van de begunstigden (dus tijdens de looptijd van de polis) durft het wel eens mis te lopen. Ook hier eist de wetgever een schriftelijk bewijs of minstens een ‘begin van bewijs door geschrift met bijhorende overeenstemmende vermoedens’.
Kan de begunstigde via een testament gewijzigd worden?
Strikt juridisch gezien moet de wijziging van de begunstigde niet noodzakelijk geakteerd worden in een door de verzekeringnemer en de verzekeraar ondertekend polisaanhangsel of -bijvoegsel, maar zo’n document is wel meer dan aangewezen. Zo kan de verzekeringnemer bijvoorbeeld perfect in zijn (geldig) testament een bepaling opnemen die de begunstigde(n) van een welbepaalde levensverzekering wijzigt, zelfs indien dit testament pas na het overlijden van de verzekeringnemer aan de verzekeraar wordt bezorgd. Indien echter de verzekeringnemer zeker wil zijn dat het (overlijdens)kapitaal effectief zal toekomen aan de door hem aangeduide nieuwe begunstigde, doet hij er toch goed aan om dit aan de verzekeraar via geschrift kenbaar te maken en te laten opnemen in een door hem en de verzekeraar ondertekend polisbijvoegsel. Zo is hij zeker dat zijn nieuwe wil ‘geregistreerd’ is bij de verzekeraar.
Wat is het verschil tussen een generieke en een nominatieve begunstigingsaanwijzing?
Bij een nominatieve aanwijzing wordt de begunstigde bij naam genoemd, terwijl een generieke aanwijzing verwijst naar een hoedanigheid of een verwantschap. En de ene hoedanigheid is meer ‘structureel’ dan de andere: een ‘kind’ blijft normaal een ‘kind’, bij ‘de echtgenoot’ kan dit duidelijk anders liggen. In de regel is het zo dat de identificatie van een generieke begunstigde geschiedt bij de ontknoping van de polis (bvb. bij het overlijden van de verzekerde) en niet op de datum van het sluiten van de polis.
De nodige aandacht zal dus uitgaan naar een adequate redactie van de begunstigingsaanwijzing, die duidelijk de wens van de verzekeringnemer tot uiting laat komen, dit alles gestuurd door een degelijk uitgewerkt verzekeringsvoorstel dat elk misverstand uitsluit.
Waarop moet er gelet worden bij meerdere begunstigden in gelijke rang?
Wanneer meerdere begunstigden in gelijke rang worden aangeduid, hetzij generiek, hetzij nominatief (een veel voorkomende toepassing hiervan is de aanduiding van de kinderen), is het aangewezen om in de begunstigingsclausule de verdeling aan te geven (bijvoorbeeld ‘in gelijke delen’).
Heel wat mensen denken immers dat, wanneer zij bijvoorbeeld in een testament hebben voorzien in een ongelijke verdeling van hun nalatenschap (bijvoorbeeld 2/3 voor kind A en 1/3 voor kind B), deze ongelijke verdeling ook ‘doorwerkt’ in de sfeer van de levens-verzekering. Niets is minder waar. Het overlijdenskapitaal maakt normaal geen deel uit van de nalatenschap van de verzekeringnemer-verzekerde, maar is een ‘eigen recht’ dat in hoofde van de begunstigde ontstaat door zijn loutere aanduiding als begunstigde en dat opeisbaar wordt naar aanleiding van het overlijden van de verzekerde.
In verzekeringsvoorstellen en polisdocumenten wordt dan ook het best standaard gewag gemaakt van een verdeling ‘in gelijke delen’ wanneer er meerdere begunstigden zijn. Zo wordt meer de aandacht getrokken van de verzekeringnemer en zal hij desgevallend kunnen reageren om te vragen naar een andere verdeling.
Waarop moet er gelet worden bij levensverzekeringen met twee verzekeringnemers?
Meer en meer komen levensverzekeringen op met twee verzekeringnemers (en twee verzekerden). Typeconfiguratie is die waarbij partners (al dan niet getrouwd) een polis sluiten op hun beider hoofd en waarbij het kapitaal bij overlijden van de eerststervende toekomt aan de langstlevende.
Aandachtspunten
• In aanwezigheid van twee verzekeringnemers moet er naar onze mening van uitgegaan worden dat het recht om de
begunstigden aan te duiden en te herroepen, tenzij anders bedongen, enkel kan uitgeoefend worden mits het
gezamenlijk akkoord van beide verzekeringnemers. Dit geeft beide partners ook de zekerheid dat het
overlijdenskapitaal wel degelijk zal toekomen aan de langstlevende, wat niet noodzakelijk het geval is als elke
verzekeringnemer eigenhandig de rechten van de verzekeringnemer kan uitoefenen.
• Een ander aandachtspunt betreft de situatie van het simultaan overlijden. Om verwikkelingen te vermijden is het
aangewezen om in dit scenario (een) specifieke begunstigde(n) aan te duiden. Indien dit niet gebeurt zal dit niet
meteen tot grote problemen leiden wanneer het gaat om een koppel met kinderen die bovendien allen
gemeenschappelijke kinderen zijn. Maar in meer complexe gezinssituaties kan de afwezigheid van een specifieke
begunstigingsclausule bij simultaan overlijden tot heuse discussies en verwikkelingen leiden.
Met welke aandachtspunten moet men rekening houden bij de aanduiding van de echtgenoot als begunstigde?
Wat betreft de aanduiding van de echtgenoot is het zo dat na echtscheiding, de ex-echtgenoot bij een generieke aanduiding niet langer de begunstigde is. Bij een nominatieve aanduiding blijft hij dat wel, zelfs als de verzekeringnemer hertrouwt, zij het dat dit principe grotendeels wordt uitgehold door de recente hervorming van de echtscheidingswetgeving.
Het voordeel van de generieke aanduiding van de echtgenoot als begunstigde is dat niet alleen de ex-echtgenoot automatisch (en zonder discussie) zijn hoedanigheid van begunstigde verliest na echtscheiding, maar ook dat bij hertrouwen, de nieuwe echtgenoot automatisch de nieuwe begunstigde wordt (dit geldt ook bij hertrouwen na overlijden van de initiële echtgenoot). Een ongehuwde persoon zou er kunnen aan denken om ‘preventief’ de echtgenoot als begunstigde aan te duiden. Indien hij dan later trouwt wordt de echtgenoot automatisch begunstigde, zonder dat dan op dat ogenblik de begunstigingsclausule moet aangepast worden.
De - helaas nog maar al te vaak voorkomende - halfslachtige begunstigingsaanwijzingen van het type ‘de echtgenote van de verzekeringnemer, Sonja Janssens’ zijn stellig te mijden: aan wie komt dan het kapitaal toe indien de verzekeringnemer van Sonja Janssens uit de echt scheidt en hij zijn later overlijden blijkt hertrouwd te zijn met Isabelle Verbiest?
Met welke aandachtspunten moet men rekening houden bij de aanduiding van de kinderen als begunstigde?
Ook voor de kinderen is er een verschil tussen een nominatieve en een generieke aanwijzing, met name wanneer er tussen het sluiten van de polis en de latere datum van opeisbaarheid van de verzekeringsprestaties een bijkomend kind geboren wordt. Wanneer de kinderen Jan en An nominatief als begunstigden werden aangeduid, dan zal de later geboren Peter geen begunstigde zijn, tenzij natuurlijk Peter nadien expliciet aan de lijst van de begunstigden werd toegevoegd. Werden echter ‘de kinderen van de verzekeringnemer’ als begunstigden aangeduid, dan zullen zijn drie kinderen begunstigd zijn, zonder dat de verzekeringnemer er moet aan denken om de begunstigingsclausule bij de geboorte van Peter te laten wijzigen.
Ook bij vooroverlijden van een kind is er een verschil naargelang de kinderen nominatief of generiek werden aangeduid. Bij een generieke aanduiding van de kinderen speelt de plaatsvervulling, bij een nominatieve aanduiding speelt de plaatsvervulling normaal niet.
Met welke aandachtspunten moet men rekening houden bij de gezamenlijke aanduiding van de echtgenoot en de kinderen als begunstigde?
Dit is dus duidelijk iets anders is dan een begunstigingsaanwijzing van het type ‘de echtgenoot van de verzekeringnemer, bij gebreke, de kinderen van de verzekeringnemer, bij gebreke, …’.
Bij een gezamenlijke aanduiding van echtgenoot en kinderen is er geen opsplitsing in blote eigendom voor de kinderen en vruchtgebruik voor de echtgenoot, maar komt de helft van de verzekeringsprestatie in volle eigendom aan de echtgenoot toe, terwijl de andere helft - ook in volle eigendom - in gelijke delen toekomt aan de kinderen.
Het is evenwel toegelaten om in een andere verdeling te voorzien.
Noteer nog aan dat dit geldt voor de gezamenlijke aanduiding van de echtgenoot en de kinderen, zodat deze bepaling niet kan doorgetrokken bij gezamenlijke aanduiding van de wettelijke partner en de kinderen als begunstigde.
2.2 Rechten van de begunstigde
Wat is de betekenis van het feit dat de begunstigde een ‘eigen recht’ geniet op de verzekeringsprestatie?
Wanneer het verzekerd voorval zich voordoet (bijvoorbeeld het overlijden van de verzekerde) en de verzekeringsprestatie aldus opeisbaar wordt, doven de rechten van de verzekeringnemer uit en krijgt het recht van de begunstigde op de uitkering van de verzekeringsprestatie uitwerking.
De begunstigde heeft dus een ‘eigen recht’ op de verzekeringsprestatie die los staat van de rechten die hij (of derden) gebeurlijk op de nalatenschap kan uitoefenen als erfgenaam of legataris. Vandaar ook dat het in ontvangst nemen door de begunstigde van een overlijdenskapitaal in het kader van een levensverzekering kan gecombineerd worden met de verwerping van de nalatenschap Beide zijn dus onafhankelijk van elkaar.
De vaststelling dat een overlijdenskapitaal burgerrechtelijk niet in de nalatenschap van de overleden verzekeringnemer valt, nodigt in sommige gevallen uit tot waakzaamheid.
De volgende fictieve casus illustreert dit. Maar volgende fictieve casus illustreert dit mogelijk nog scherper. Een dame is getrouwd, heeft geen kinderen, maar wel een broer. Haar echtgenoot overlijdt en zij vindt nadien een nieuwe levensgezel met wie zij feitelijk gaat samenwonen en dus niet hertrouwt. Op dat ogenblik wordt haar broer aldus haar enige wettelijke erfgenaam. Zij trekt naar de notaris met het verzoek een regeling te treffen opdat haar hele ‘hebben en houden’ bij haar overlijden zou toekomen aan haar nieuwe levensgezel, wat een ‘onterving’ inhoudt van haar broer. De notaris stelt in die zin een testament op en duidt de nieuwe levensgezel aan als algemene legataris. Wat later overlijdt de dame. In uitvoering van het testament komt de hele nalatenschap de nieuwe levensgezel ten goede.
Maar stel dat de dame in kwestie enkele jaren daarvoor, toen haar echtgenoot nog leefde, een ‘beleggingsverzekering’ had gesloten en hierin een aanzienlijk bedrag had gestort. Stel dat de begunstigingsclausule van de polis als volgt luidt: ‘de overlevende echtgenoot van de verzekeringnemer, bij gebreke, de broer van de verzekeringnemer’. Bij het overlijden van de dame is er geen overlevende echtgenoot (die is zoals gezegd zelf al eerder overleden, terwijl de dame niet hertrouwd was met haar nieuwe levensgezel, maar er enkel feitelijk mee samenwoonde). De broer kan weliswaar geen aanspraak maken op de nalatenschap, maar hij geniet wel een ‘eigen recht’ op het overlijdenskapitaal op basis van de voormelde begunstigingsclausule van de levensverzekering. Het overlijdenskapitaal van de levensverzekering maakt immers geen deel uit van de nalatenschap en wordt dan ook niet ‘gestuurd’ door het testament ten gunste van de nieuwe levensgezel, maar enkel door de begunstigingsclausule van de levensverzekering, die daarvan los staat. Kortom, de nalatenschap komt volgens het testament toe aan de levensgezel van de dame, terwijl het overlijdenskapitaal volgens de begunstigingsclausule van de levensverzekering naar onze mening toekomt aan haar broer (er wordt verondersteld dat het testament geen specifieke bepaling bevatte met betrekking tot de begunstigden van de levensverzekering). En dit was wellicht niet de bedoeling van de dame toen zij naar de notaris trok. Deze fictieve casus leert alvast dat elke notaris of andere raadgever aan wie gevraagd wordt een testament op te maken, eigenlijk spontaan de vraag zou moeten terugkaatsen of er ook vermogen belegd is in levensverzekeringen en dat hij in bevestigend geval de betrokkene desgevallend zou moeten uitnodigen om de begunstigingsclausule van de levensverzekering te laten wijzigen.
Wat is de impact van de aanvaarding van de begunstiging?
De begunstigde kan al vóór het zich voordoen van de verzekerde gebeurtenis de begunstiging aanvaarden. Dit is wel een exclusief recht van de begunstigde maar, althans zolang de verzekeringnemer leeft, geen autonoom recht van de begunstigde.
Er moet een polisbijvoegsel worden opgesteld, ondertekend door de verzekeraar, de aanvaardende begunstigde én de verzekeringnemer. Zonder het formeel akkoord van de verzekeringnemer is er bijgevolg geen geldige aanvaarding.
Na het overlijden van de verzekeringnemer kan de aanvaarding uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden, zij het dan dat die aanvaarding slechts tegenstelbaar is aan de verzekeraar indien hij daarvan schriftelijk op de hoogte is gesteld.
Wat zijn de gevolgen van de aanvaarding?
De gevolgen van de aanvaarding zijn dat de verzekeringnemer de aanvaardende begunstigde in principe niet autonoom kan herroepen en dat hij zijn overige beschikkingsrechten op de polis (afkoop, verpanding, overdracht van rechten, … niet langer kan uitoefenen zonder het akkoord van de aanvaardende begunstigde.
2.3 Positie van de (reservataire) erfgenamen van de verzekeringnemer
Wat betekenen inbreng en inkorting?
Een andere belangrijke vraag, vooral dan in het licht van de ontwikkeling van de spaar- en beleggingsverzekeringen, waarin soms aanzienlijke bedragen worden gestort, is of en in welke mate de ‘inbreng’ en de ‘inkorting’ van toepassing zijn wanneer de verzekering-nemer een (belangrijk) deel van zijn patrimonium via een levensverzekering overdraagt aan een derde (één van de erfgenamen, een derde die geen erfgenaam is zoals de feitelijk samenwonende partner, …).
Maar eerst een woordje uitleg over de burgerrechtelijke begrippen ‘inbreng’ en ‘inkorting’.
• Jan heeft twee kinderen, An en Martine. Zijn vermogen bestaat enkel uit een bankrekening waarop 100.000 EUR staat.
Jan doet een schenking van 40.000 EUR aan An. ’s Anderendaags overlijdt Jan. Op zijn bankrekening staat nog
60.000 EUR (100.000 EUR min de 40.000 EUR die hij daags voor zijn overlijden heeft geschonken aan An).
• Wie krijgt wat? Welnu, artikel 843 B.W. bepaalt dat een schenking gedaan aan iemand die naderhand erfgenaam blijkt
te zijn, wat in casu het geval is, beschouwd wordt als een ‘voorschot op erfenis’ en bijgevolg moet ‘ingebracht’ worden
(vandaar de term ‘inbreng’). De schenkingen aan erfgenamen worden dus als het ware ‘teruggedraaid’. Van de
60.000 EUR die op de bankrekening van Jan staan op de overlijdensdatum, gaan er nog 10.000 EUR naar An (samen
met de schenking van 40.000 EUR, zal zij in totaal dus 50.000 EUR gekregen en geërfd hebben), terwijl Martine
50.000 EUR van de 60.000 EUR op de bankrekening van de overleden Jan erft.
• Jan zou echter ook in de schenkingsakte (of de zogeheten ‘pacte adjoint’ indien het een niet notariële schenking was)
kunnen bepaald hebben dat An die 40.000 EUR kreeg ‘met vrijstelling van inbreng’, dus ‘buiten erfdeel’ (en niet als
voorschot op erfenis). In die omstandigheid zou An recht hebben op de helft van de 60.000 EUR die op de
bankrekening van Jan staan op de overlijdensdatum (30.000 EUR dus), bovenop de schenking van 40.000 EUR die zij
eerder genoten heeft. Martine zou het dan moeten stellen met 30.000 EUR. Maar in dit geval komt een tweede
burgerrechtelijk mechanisme roet in het eten gooien, met name de ‘inkorting’. An en Martine zijn als kinderen van de
overledene ‘reservataire’ of ‘bevoorrechte’ erfgenamen. Dit betekent dat de schenking die Jan heeft gedaan aan An (per
hypothese met vrijstelling van inbreng) niet voor gevolg mag hebben dat Martine minder zou erven dan 1/3de van de
nalatenschap, verhoogd met de gedane schenking. Martine zal dus minstens recht hebben op 1/3de van 100.000 EUR,
hetzij 33.333 EUR.
Wat is de impact van inbreng en inkorting op levensverzekeringen?
Wanneer nu vermogen wordt overgemaakt via een levensverzekering, is het zo dat er en-kel sprake zijn van inbreng of inkorting in de mate dat de premies kennelijk buiten verhouding staan tot de vermogenstoestand van de verzekeringnemer. Dit wordt soeverein beoordeeld door de rechter.
Er kan nog aangestipt worden dat het gaat om de inbreng of de inkorting van de premies en niet van de verzekeringsprestatie. Tussen beide kan een hemelsbreed verschil bestaan.
Zo kan bijvoorbeeld een zuivere overlijdensrisicodekking van 500.000 EUR verzekerd worden met een jaarpremie van pakweg 1.500 à 3.000 EUR (de premietarieven die de verzekeraars hanteren zijn leeftijds- en geslachtsgebonden). Ook in een beleggingsverzekering kan er een aanzienlijk verschil zijn tussen het bedrag van de premie en dat van de latere verzekeringsprestatie. Wanneer bij overlijden de vraag naar de eventuele toepassing van de inbreng of de inkorting wordt gesteld, wordt het al dan niet ‘kennelijk buiten verhouding staan’ overigens ook beoordeeld op basis van het premiebedrag en niet op basis van het uitgekeerde (overlijdens)kapitaal.
Wat de beleggingsverzekeringen betreft heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 26 juni 2008 echter de specifieke verzekeringsrechtelijke invulling van de inkorting min of meer buitenspel gezet, zodat er moet van uitgegaan worden dat ook vermogensoverdracht via beleggingsverzekeringen de civielrechtelijke regels inzake reservatair erfrecht moet naleven.
2.4 Positie van de echtgenoot van de verzekeringnemer
Welke obstakels zijn er bij het ‘buitenspel’ zetten van de echtgenoot in het kader van een levensverzekering?
Naast de regels inzake bescherming van de echtgenoot als reservataire erfgenaam, zijn er mogelijk nog andere obstakels bij het ‘buitenspel’ zetten van de echtgenoot in het kader van een levensverzekering:
• Zo bepaalt artikel 1419 B.W. dat een in gemeenschap gehuwde persoon geen gemeenschappelijke goederen mag
wegschenken aan een derde zonder de toestemming van zijn echtgenoot. Bij gebrek aan akkoord van de echtgenoot
kan de schenking door een rechter nietig verklaard worden wanneer de benadeelde echtgenoot een wettig belang kan
aantonen en kan er ook sprake zijn van vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen. De aan- of afwezigheid van
een wettig belang wordt beoordeeld door de rechter. Hierbij kunnen in de praktijk het bedrag van de premie en de
identiteit van de begunstigde een belangrijke rol spelen. Hoe hoger de premie, hoe groter de kans dat de rechter een
wettig belang erkent. Wanneer de derde-begunstigde de bijzit is, is de kans tot nietigverklaring wellicht ook groter dan
wanneer de (gemeenschappelijke) kinderen worden begunstigd. Dit blijkt ook uit een arrest van het Hof van Beroep van
Gent. In casu had een met gemeenschap van goederen getrouwd koppel echtelijke problemen, zonder dat het echter
tot een echtscheiding kwam. De man had in het kader van een levensverzekering, waarvan de premies betaald werden
met gemeenschappelijke gelden, de initiële begunstiging in het voordeel van zijn echtgenote herroepen en zijn
maîtresse in de plaats gezet. Toen de man overleed vorderde de echtgenote de nietig-verklaring van de schenking aan
de maîtresse die vervat was in de polis. Het Hof heeft zonder veel probleem - er is eigenlijk op die vraag zelfs niet echt
ingegaan - het wettig belang van de echtgenote erkend en de begunstigingsaanwijzing van de maîtresse nietig
verklaard
• Niet alleen de schenking van gemeenschappelijke goederen door een in gemeenschap gehuwde persoon zonder het
akkoord van de mede-echtgenoot kan nietig verklaard worden. Dit is in sommige gevallen ook zo bij
schenking van eigen goederen, zelfs door een met scheiding van goederen getrouwde persoon.
Voorwaarde hiertoe is dat de schenking de belangen van het gezin in gevaar brengt.
• Ook contractuele erfstellingen kunnen een obstakel zijn om iemand anders dan de echtgenoot als begunstigde van
een levensverzekering aan te duiden.
Het lot van een levensverzekering bij echtelijke problemen is een nogal complexe aange-legenheid, zeker in samenlezing met de burgerrechtelijke bepalingen. Het gaat om een mooie illustratie van verschillende ‘législations qui s’ignorent’. We beperken ons hier tot de vaststelling dat, bij echtscheiding, er met de polis in wezen niets bijzonders gebeurt, maar dat de echtgenoten hieromtrent wel een regeling kunnen treffen in hun regelingsakte. Die regeling is maar tegenstelbaar aan de verzekeraar indien hij hiervan op de hoogte werd gesteld.
Welke obstakels zijn er bij het zo veel mogelijk begunstigen van de echtgenoot in het kader van een levensverzekering?
Uiteraard bestaat vaak ook de wens om bij overlijden zoveel mogelijk vermogen toe te bedelen aan de overlevende echtgenoot, waar dan omgekeerd de vraag rijst in welke mate de andere reservataire erfgenamen, met name de kinderen, al dan niet ‘buitenspel’ kunnen worden gezet.
Hierbij kan gedacht worden aan het gezamenlijk sluiten van een levensverzekering tussen echtgenoten met toebedeling van het overlijdenskapitaal aan de langstlevende, een figuur die, mits het gaat om een evenwichtig kanscontract, o.i. geen ‘schenking’ is en die bijgevolg normaal ontsnapt aan de regels inzake inbreng en inkorting (voor echtgenoten getrouwd met gemeenschap van goederen is dat al minder duidelijk).
2.5 Levensverzekering gesloten door een niet ontvoogde minderjarige
In de praktijk wordt men vaker en vaker geconfronteerd met levensverzekeringen die gesloten worden op naam van minderjarige kinderen.
Welke aandachtspunten zijn er bij het sluiten van een levensverzekering in naam van een niet ontvoogd minderjarig kind?
• Op zich kunnen de wettelijke vertegenwoordigers in naam van een niet ontvoogd minderjarig kind een levensverzekering
sluiten. Maar aangezien zij later rekenschap moeten afleggen van het beheer van de goederen van de minderjarige,
kunnen er vragen rijzen indien de vertegenwoordigers in naam van de minderjarige een tak 23-beleggingsverzekering
hebben gesloten met een hoog risicoprofiel. De niet ontvoogde minderjarige mag ook zelf een levensverzekering
sluiten, maar enkel in de mate dat de premies betaald worden met zijn beroepsinkomen.
• Hiernaast moet nog gewezen worden - dit is een algemeen aandachtspunt wanneer een minderjarig kind de
verzekerde is - dat het verboden is polissen te sluiten die voorzien in een uitkering bij het overlijden van een kind dat de
volle leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Dergelijke bedingen zijn volstrekt nietig en worden zelfs strafrechtelijk
gesanctioneerd. Dit is niet alleen zo als het minderjarige kind tevens verzekeringnemer is, maar ook als de
verzekeringnemer een ‘derde’ is.
• Meer specifiek wat de begunstigden betreft, is het zo dat in de levensverzekering gesloten door de minderjarige of door
zijn vertegenwoordigers, enkel de minderjarige zelf (bij leven) of zijn nalatenschap (bij overlijden) als begunstigde kan
aangeduid worden. Het is wel toegelaten dat een minderjarige vanaf de leeftijd van 16 jaar bij testament beschikt over
de helft van de goederen waarover de wet de meerderjarige toelaat te beschikken, maar een levensverzekering is geen
testament zodat die bepaling er niet op van toepassing is.
3. Successierechten op beleggingsverzekeringen
Moeten er successierechten betaald worden op uitkeringen in het kader van beleggingsverzekeringen?
Uitkeringen in het kader van een levensverzekering zouden normaal ontsnappen aan successierechten omdat zij burgerrrechtelijk geen deel uitmaken van de nalatenschap van de per hypothese overleden verzekeringnemer.
Nochtans bevat artikel 8 W. Succ. een fictiebepaling waardoor sommige levensverzekeringen gelijk worden gesteld met een legaat, wat dan toch aanleiding kan geven tot heffing van successierechten.
Volgende twee basisregels kunnen naar voor geschoven worden rond de toepassing van de successierechten op uitkeringen uit een levensverzekering gesloten door natuurlijke personen:
• op uitkeringen in het kader van een beding ten gunste van zichzelf zijn geen successierechten verschuldigd;
• in het kader van een kosteloos beding ten gunste van een derde zijn successierechten verschuldigd indien een
uitkering plaats vindt:
• hetzij bij het overlijden van de verzekeringnemer;
• hetzij na het overlijden van de verzekeringnemer;
• hetzij binnen drie jaar vóór het overlijden van de verzekeringnemer.
Merk op dat hier gesproken wordt van het overlijden van de verzekeringnemer en niet van de verzekerde, wat belangrijk is wanneer de verzekeringnemer en de verzekerde verschillende personen zouden zijn. Het is inderdaad de verzekeringnemer die de fondsen in de levensverzekering heeft gestopt en die aldus het fictieve legaat gedaan heeft.
Voorbeeld
Een ‘ABC’-configuratie (vader-schoonzoon-dochter), waarbij B (de schoonzoon) ‘eco-nomisch vreemd’ is aan de verrichting. De polis werd gesloten in 2000. B overlijdt per hypothese in 2008, wat op dat ogenblik aanleiding geeft tot uitkering van het overlijdens-kapitaal aan C (de dochter).
• indien A vóór B zou overleden zijn, zijn er successierechten verschuldigd, want er is dan sprake van een uitkering na
het overlijden van verzekeringnemer A;
• indien ook A zou overlijden in 2008 zijn er eveneens successierechten verschuldigd:
• indien A overlijdt vóór B, is er andermaal sprake van een uitkering na het overlijden van verzekeringnemer A;
• indien A en B gelijktijdig (‘simultaan’) overlijden, is er sprake van een uitkering bij het overlijden van
verzekeringnemer A;
• indien A na B overlijdt, is er sprake van een uitkering binnen drie jaar vóór het overlijden van verzekeringnemer
A;
• indien A bijvoorbeeld overlijdt in 2010, zullen er andermaal successierechten verschuldigd zijn want er is een uitkering
geweest in 2008, dit is binnen drie jaar vóór het overlijden van verzekeringnemer A;
• indien A bijvoorbeeld overlijdt in 2013 zijn er geen successierechten verschuldigd want de uitkering heeft plaats gehad
in 2008, dit is meer dan drie jaar vóór het overlijden van verzekeringnemer A.
Als we uitgaan van een ‘ABBA’-configuratie en veronderstellen dat de zoon (B) nog in leven is op zijn 18de (per hypothese op 1 januari 2015) en dus in de hoedanigheid van ‘begunstigde bij leven’ in 2015 een uitkering geniet, blijven de successierechten slechts achterwege indien de vader (A) nog in leven is in 2018. Overlijdt de vader daarvoor, on-geacht of het nu vóór, op of na 1 januari 2015 is, dan zijn er wel successierechten verschuldigd.
Zijn er specifieke bepalingen inzake successierechten bij echtgenoten gehuwd met gemeenschap van goederen?
Artikel 8, lid 4 W. Succ. voorziet in specifieke toepassingsregels inzake successierechten voor polissen gesloten door of tussen echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van gemeenschap van goederen (inclusief het wettelijk stelsel dus).
Daar waar de basisregel stelt dat er geen successierechten verschuldigd zijn bij een beding ten gunste van zichzelf (‘ABA’-overlijdensverzekeringsconfiguratie, althans wanneer B eerst overlijdt), zullen in de regel wel successierechten worden geheven op de helft van het overlijdenskapitaal wanneer A en B getrouwd waren met gemeenschap van goederen. De onderliggende filosofie is dat er een (weerlegbaar) wettelijk vermoeden is dat de premies met gemeenschappelijke gelden zijn betaald en dat er dan toch een ‘verrijking’ is tot beloop van de helft van de uitkering in hoofde van de begunstigde echtgenoot. In de mate echter dat de begunstigde echtgenoot kan aantonen dat de premies gestort werden met zijn eigen goederen, ontsnapt de uitkering aan successierechten. Indien omgekeerd de belastingadministratie kan aantonen dat de premies werden betaald met eigen goederen van de overleden echtgenoot, dan is de uitkering volledig onderworpen aan successierechten.
Daar waar, omgekeerd, de basisregel stelt dat er successierechten verschuldigd zijn bij een kosteloos beding ten gunste van een derde (‘AAB’-overlijdensverzekeringsconfiguratie), worden die successierechten slechts geheven op de helft van het overlijdenskapitaal wanneer A en B getrouwd waren met gemeenschap van goederen. Ook hier is de onderliggende filosofie dat de wetgever uitgaat van een (weerom weerlegbaar) vermoeden dat de premies met gemeenschappelijke gelden zijn betaald en dat er slechts een ‘verrijking’ is tot beloop van de helft van de uitkering in hoofde van de begunstigde echtgenoot. En ook hier geldt de regel dat, in de mate dat de begunstigde echtgenoot kan aantonen dat de premies gestort werden met zijn eigen goederen, de uitkering ontsnapt aan successierechten. Indien omgekeerd de belastingadministratie kan aantonen dat de premies werden betaald met eigen goederen van de overleden echtgenoot, wat bijvoorbeeld het geval is wanneer de polis gesloten werd vóór het huwelijk en gefinancierd werd met een enige premie, dan is de uitkering volledig onderworpen aan successierechten.
Stippen wij tot slot aan dat er, althans volgens de belastingadministratie, ook sprake kan zijn van heffing van successierechten op de helft van de afkoopwaarde van een levensverzekering waarvan een met gemeenschap van goederen getrouwd persoon verzekeringnemer is, bij het overlijden van diens mede-echtgenoot en indien de premies met gemeenschappelijk geld werden betaald. Het gaat hier wel degelijk om de polis waarvan de overlevende echtgenoot titularis is.
Welke meldingsplicht is er inzake successierechten?
Belgische verzekeraars hebben de verplichting om aan de belastingadministratie via de zogeheten ‘lijst 201’ een aantal gegevens over te maken. Die nogal ingewikkeld geformuleerde wetsbepalingen komen in de sfeer van de levensverzekeringen samengevat hierop neer dat de verzekeraar elke uitkering na of ingevolge het overlijden van de verzekeringnemer of de verzekerde moet melden, ongeacht of hierop al dan niet successierechten verschuldigd zijn. Naar onze mening moet de verzekeraar echter niet onmiddellijk melding doen van het overlijden van de verzekeringnemer, zolang er geen effectieve uitkering is. Dit kan zich voordoen wanneer de verzekeringnemer en de verzekerde verschillende personen zijn en de verzekeringnemer het eerst overlijdt. Bij de latere uitkering is er uiteraard wel meldingsplicht, althans indien de verzekeraar op de hoogte is van het overlijden van de verzekeringnemer.
Stippen wij tot slot nog aan dat een persoon wiens echtgenoot overleden is en die een uitkering vraagt in het kader van een levensverzekering, dit overlijden moet melden aan de verzekeraar, die hierover op zijn beurt de belastingadministratie moet inlichten. Indien de verzekeraar een uitkering heeft gedaan in de onwetendheid van het eerdere overlijden van de echtgenoot van de persoon aan wie de uitkering gedaan werd, moet de verzekeraar alsnog (dus a posteriori) de belastingadministratie hierover inlichten.
4. Enkele toepassingen
4.1 Wat is een ‘successierechtenverzekering’?
Op (niet geregistreerde) schenkingen zijn alsnog successierechten verschuldigd indien de schenker binnen drie jaar na de schenking overlijdt. Die successierechten kunnen nochtans ingedekt worden door een passende overlijdensverzekering.
Om het risico van de verschuldigdheid van de successierechten bij overlijden van de schenker binnen drie jaar na een hand- of bankgift in te dekken, kan de schenker overwegen een tijdelijke overlijdensverzekering van drie jaar te sluiten. Hij kan hierbij optreden als verzekeringnemer en verzekerde, en de begiftigde aanduiden als begunstigde van het overlijdenskapitaal. Dit overlijdenskapitaal wordt dan bepaald als het overeenstemmende bedrag van de verschuldigde successierechten. Nadeel van deze configuratie is dat het overlijdenskapitaal, dat uitgerekend moet toelaten om de successierechten op de schenking te betalen bij overlijden van de schenker binnen drie jaar, op zijn beurt ook aan successierechten wordt onderworpen.
Een alternatief is dan ook dat niet de schenker, maar de begiftigde zelf de overlijdensverzekering sluit. Dit leidt dan tot de volgende verzekeringsconfiguratie:
verzekeringnemer: begiftigde
verzekerde: schenker
begunstigde bij overlijden: begiftigde
In dit geval is er bij het overlijden van de schenker (binnen drie jaar na de datum van de gift) niet langer sprake van een beding ten gunste van een derde, maar van een beding ten gunste van zichzelf, zodat het overlijdenskapitaal niet onderworpen is aan successierechten. De premies voor deze verzekering kunnen desgevallend worden gefinancierd met een deel van de geschonken goederen.
Wel moet telkens de oefening worden gemaakt of de premie voor de ‘successierechtenverzekering’ uiteindelijk niet duurder uitvalt dan de bevrijdende schenkingsrechten van 3%, 5% of 7% zoals zij in de verschillende gewesten bestaan. Deze uitoefening kan uiteenlopende resultaten opleveren in functie van de leeftijd van de schenker, zijn gezondheidstoestand en het bedrag van de in te dekken successierechten.
Welke toepassing kan er gemaakt worden van beleggingsverzekeringen bij conventionele terugkeer?
Met een conventioneel beding van terugkeer bepaalt de schenker dat de geschonken goederen hem zullen terugkomen bij het vooroverlijden van de begiftigde alleen of van de begiftigde en zijn afstammelingen. Het beding van conventionele terugkeer houdt een ontbindende voorwaarde in, waarvan de vervulling voor gevolg heeft dat de schenking geacht wordt nooit te hebben plaats gevonden. Dit verklaart meteen ook waarom de terugkeer naar de schenker geen aanleiding geeft tot heffing van successierechten. De conventionele terugkeer kent dus twee hoofdvarianten:
• hetzij terugkeer in geval van overlijden van de begiftigde vóór de schenker;
• hetzij terugkeer in geval van overlijden van de begiftigde en zijn eventuele afstam-melingen vóór de schenker.
Naar onze mening is het mogelijk om overeen te komen dat de conventionele terugkeer gekanaliseerd, gegarandeerd en gematerialiseerd wordt via storting door de begiftigde van de geschonken geldsom als eenmalige premie in een levensverzekering die de volgende vorm aanneemt:
• verzekeringnemer: begiftigde
• verzekerde: begiftigde
• begunstigde bij overlijden: schenker (X), bij gebreke: Y, …
Overlijdt de begiftigde, dan komt de overlijdensuitkering toe aan de schenker (indien die nog in leven is), wat precies het oogmerk is van de conventionele terugkeer.
Er kan gesteld worden dat er geen successierechten verschuldigd zijn op het overlijdenskapitaal dat toekomt aan de schenker als de schenkingsakte of pacte adjoint in de conventionele terugkeer voorziet en als het sluiten van de levensverzekering met aanduiding van de schenker als begunstigde duidelijk hierin gekaderd wordt.
Aangezien er uitgaan wordt van de schenking van een geldsom en de conventionele terugkeer betrekking heeft op die geldsom, wordt de aanduiding van de schenker als begunstigde van het overlijdenskapitaal o.i. wel het best beperkt tot het bedrag van de geschonken geldsom.
Welke toepassing kan er gemaakt worden van beleggingsverzekeringen bij een last van lijfrente of van periodieke uitkering?
Naast de conventionele terugkeer wordt vaak ook een - niet overdreven - last van lijfrente of van periodieke uitkering bedongen ten gunste van de schenker. In aanwezigheid van een beding van terugkeer zoals hoger toegelicht, zal die rente logischerwijze eindigen wanneer de begiftigde overlijdt, want dan heeft de terugkeer uitwerking.
Ook in de sfeer van de lijfrente kan de levensverzekering in de hoger geschetste configuratie ‘ingeschakeld’ worden. Zo kan de zekerheid tot betaling van de lijfrente of de periodieke uitkering gematerialiseerd worden via de rechtsfiguur van de overdracht van een jaarlijks gedeeltelijk afkooprecht aan de schenker en dit tot beloop van het bedrag van de overeengekomen lijfrente of periodieke uitkering.
Er kan in voorzien worden dat aan de schenker hooguit de mogelijkheid wordt geboden om de periodieke uitkering te vorderen (via het hem overgedragen jaarlijks gedeeltelijk afkooprecht), zonder dat er sprake is van enig automatisme. Het is in de praktijk soms zo dat schenkers de last van periodieke uitkering hooguit als een zekerheid willen inbouwen, zonder daarom (van meet af aan of elk jaar) die uitkering noodzakelijk ook effectief te willen vorderen.
Er kan ook in voorzien worden dat de begiftigde kan eisen dat de uitkering via het overgedragen afkooprecht geschiedt en dat de tijdens een (kalender)jaar door de schenker niet opgevorderde uitkering ‘verloren’ is en dus niet overgedragen wordt naar de volgende jaren.
4.2 Welke mogelijkheden biedt een levensverzekering met twee verzekeringnemers?
Twee (of meer) personen kunnen er aan denken een geldsom als premie aan te wenden in een levensverzekering waarin bepaald wordt dat de volledige verzekeringsprestatie zal toekomen aan de langstlevende onder hen. Sinds enkele jaren hebben dergelijke levensverzekeringen met twee verzekeringnemers (en twee verzekerden) hun intrede gedaan in het verzekeringslandschap, vooral dan vanuit Luxemburg.
Hoewel de verzekeringswetgeving het niet specifiek heeft over levensverzekeringen met twee (of meer) verzekeringnemers, betekent dit naar onze mening niet dat het sluiten van een levensverzekering door twee (of meer) verzekeringnemers verboden zou zijn. Een toepassing hiervan situeert zich in de volgende verzekeringsconfiguratie, waarvan het concept heel wat kenmerken vertoont van een tontine, hier ingebed in een levensverzekering.
• verzekeringnemers: A en B
• verzekerden: A en B
• begunstigde bij overlijden van A: B
• begunstigde bij overlijden van B: A
Bij het overlijden van de ene verzekeringnemer-verzekerde komt de volledige uitkering toe aan de overlevende. Het kan gaan om een tijdelijke of levenslange verzekering, om een zuivere overlijdensrisicoverzekering, een lijfrenteverzekering, een verzekeringsbon, een tak 23-verzekering, …
Wat betreft de uitoefening van de rechten van de verzekeringnemer - hierbij wordt vooral gedacht aan het recht om de begunstiging te wijzigen en aan het afkooprecht - moet er naar onze mening van uitgegaan worden dat die rechten, tenzij anders bedongen, enkel kunnen uitgeoefend worden mits het gezamenlijke akkoord van beide verzekeringnemers.









