FAQ

Overzicht

 

1. Algemeen 

     1.1 Wat zijn de mogelijkheden om te scheiden na de echtscheidingswet van 27 april 2007?
               1. Echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT)
               2. Echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting (EOO)

2. Echtscheiding door onderlinge toestemming

     2.1 Waarover moet er een akkoord bestaan bij echtscheiding door onderlinge toestemming?
               1. Regeling van de wederzijdse rechten
               2. Familierechtelijke overeenkomst

     2.2 Hoe verloopt de procedure bij een echtscheiding door onderlinge toestemming?
               1. Inleiding van de procedure
               2. Verder verloop - aantal verschijningen
               3. Mogelijkheid hoger beroep. Definitief worden echtscheiding

     2.3 Wat gebeurt er indien één van de echtgenoten zich tijdens de procedure van echtscheiding door
           onderlinge toestemming bedenkt?

     2.4 Kunnen na de echtscheiding door onderlinge toestemming de voorafgaande overeenkomsten nog
           worden gewijzigd?

3. Echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting

     3.1 In welke hypotheses kan een echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk
           worden verkregen?
               1. De onherstelbare ontwrichting waarvan het bewijs met alle wettelijke bewijsmiddelen worden geleverd 
                  (eerste 'subgrond')
               2. De onherstelbare ontwrichting die voortvloeit uit een wettelijke bepaalde periode van feitelijke scheiding
                  (tweede 'subgrond')
               3. De echtscheiding na herhaald verzoek (derde 'subgrond')

     3.2 Hoe wordt de procedure bij echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting ingeleid en welke
           stukken moeten worden bijgevoegd?
               1. Manier van inleiding
               2. Neer te leggen stukken

     3.3 Hoe verloopt de verdere behandeling bij de  procedure bij echtscheiding op grond van onherstelbare
           ontwrichting?
               1. Persoonlijke verschijning van de echtgenoten
               2. Behandeling in raadkamer. Aanmoediging van de bemiddeling
               3. Gerechtskosten
               4. Mogelijkheid hoger beroep. Definitief worden echtscheiding

     3.4 Welke echtgenoot kan een persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding verkrijgen?
               1. Mogelijk akkoord tussen de echtgenoten
               2. 'Behoeftigheid' van de verzoekende echtgenoot
               3. Uitsluiting- en temperingsgronden

     3.5 Op welke manier wordt het persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding begroot?

     3.6 Hoe lang dient het persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding te worden betaald, en kan het worden
           aangepast?
               1. Wettelijke maximumduur
               2. Verval van de uitkering
               3. Wijziging van de uitkering

     3.7 Kunnen er tijdens de echtscheidingsprocedure reeds bepaalde maatregelen worden getroffen m.b.t. de
           echtgenoten en hun kinderen?
               1. Inhoud van de maatregelen. Algemeen
               2. Inhoud van de maatregelen: gezags- en verblijfsregeling omtrent de kinderen
               3. Inhoud van de maatregelen: financiële regeling omtrent de kinderen
               4. Inhoud van de voorlopige maatregelen: voorlopig genotsrecht van de gezinswoonst
               5. Manier waarop de voorlopige maatregelen worden gevraagd - rol (echtscheidings)rechter

     3.8 Tot wanneer blijven de voorlopige maatregelen gelden?

4. Handhavingsrecht

     4.1 Welke acties kunnen worden ondernomen wanneer de onderhoudsuitkering niet wordt betaald?
               1. Beslag en inkomstendelegatie
               2. Strafrechtelijke procedure: 'familieverlating'
               3. Tussenkomst Dienst Alimentatievorderingen (DAVO)

     4.2 Welke acties kunnen worden ondernomen wanneer de verblijfsregeling/omgangsregeling niet wordt
           nageleefd?
               1. Burgerrechtelijke mogelijkheden sinds de Wet van 18 juli 2006
               2. Strafrechtelijke procedure

5. Echtscheiding/feitelijke scheiding: enkele sociaalrechtelijke en fiscaalrechtelijke implicaties

     5.1 Heeft een uit de echt gescheiden persoon/feitelijk gescheiden echtgenoot recht op een rustpensioen op
           basis van de loopbaan als werknemer van zijn (gewezen) echtgenoot?
               1. Echtscheiding
               2. Feitelijke scheiding

     5.2 Welke invloed heeft een (feitelijke) scheiding op de vestiging van de personenbelasting?
               1. Feitelijke scheiding
               2. Echtscheiding

     5.3 Wat zijn de fiscale gevolgen van het onderhoudsgeld?

     5.4 Welke ouder kan na echtscheiding genieten van de verhoging van de belastingvrije som wegens
           kind(eren) ten laste?

 

1. Algemeen

 

1.1 Wat zijn de mogelijkheden om te scheiden na de echtscheidingswet van 27 april 2007? 

 

Sinds de inwerkingtreding van de Wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding op
1 september 2007, kunnen grosso modo twee mogelijkheden worden weerhouden om uit de echt te scheiden:

1. Echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT)

De echtscheiding door onderlinge toestemming werd behouden als afzonderlijke echtscheidingsgrond. Essentieel blijft dat er een akkoord moet worden getroffen over alle gevolgen van de echtscheiding, zowel voor tijdens de procedure als voor na de ontbinding van het huwelijk (zie verder).

2. Echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting (EOO)

Er is sprake van een onherstelbare ontwrichting indien de voortzetting of de hervatting van het samenwonen tussen de echtgenoten redelijkerwijs onmogelijk is geworden. De procedure kan zowel worden opgestart door beide echtgenoten gezamenlijk, als door één van de echtgenoten afzonderlijk, en de mogelijkheid bestaat om tijdens de procedure (deel)akkoorden af te sluiten (zie verder).

 

top

 

2. Echtscheiding door onderlinge toestemming

 

2.1 Waarover moet een akkoord bestaan bij echtscheiding door onderlinge toestemming?

 

De echtgenoten dienen een globaal akkoord te treffen in hun “voorafgaande overeenkomsten”. Deze bestaan uit:

1. Regeling van de wederzijdse rechten

In deze overeenkomst treffen de echtgenoten een overeenkomst omtrent de vereffening en verdeling van alle aspecten van hun huwelijksvermogensstelsel, alsook over hun wederzijdse erfrechten tijdens de procedure:
     • lot van de gezinswoonst en eventueel andere onroerende  goederen: worden deze toebedeeld aan één van de
       echtgenoten, worden ze verkocht, of eventueel in onverdeeldheid gehouden (deze periode kan maximum vijf jaar
       bedragen, behoudens verlenging)?
     • toebedeling van meubilair en andere roerende lichamelijke (bv. wagen) en onlichamelijke (rekeningen, effecten, …)
       goederen;
     • tenlasteneming van hypothecaire lening en andere schulden (Opgelet, deze regelingen zijn niet tegenstelbaar aan
       derden!) 
     • regeling van de fiscale schulden of tegoeden voor de periode dat de echtgenoten nog gezamenlijk worden belast
       (Opgelet, deze regelingen zijn niet tegenstelbaar aan de fiscus!)
     • regeling van eventuele (afkoopwaardes van) levensverzekeringen, groepsverzekeringen, pensioensparen, …
     • regeling van de wederzijdse erfaanspraken voor het geval één van de echtgenoten zou overlijden tijdens de procedure.

2. Familierechtelijke overeenkomst

In deze overeenkomst wordt de regeling omschreven omtrent:
     • de verblijfplaats van de echtgenoten tijdens de proeftijd;
     • de regeling van de uitoefening van het ouderlijk gezag over de persoon en de goederen, en de
       verblijfsregeling/omgangsregeling van hun gezamenlijke kinderen. Deze regeling staat onder toezicht van het Openbaar
       Ministerie (zie verder ook onder de bespreking inhoud voorlopige maatregelen).
     • de bijdrage van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van voornoemde
       kinderen. Deze regeling staat onder toezicht van het Openbaar Ministerie.
     • het bedrag van de eventuele uitkering door de ene echtgenoot te betalen aan de andere echtgenoot gedurende de 
       proeftijd en na echtscheiding.

 

2.2 Hoe verloopt de procedure bij een echtscheiding door onderlinge toestemming?

 

1. Inleiding van de procedure

De procedure wordt ingeleid bij verzoekschrift, ondertekend door beide echtgenoten, of door ten minste één advocaat, of één notaris.

Mits respectering van de taalwetgeving, zijn de echtgenoten vrij de zaak in te leiden op een rechtbank van eerste aanleg naar keuze.

Volgende stukken dienen als bijlage bij het verzoekschrift te worden gevoegd:
     • de voorafgaande overeenkomsten (zie boven)
     • de boedelbeschrijving, zo er een werd opgemaakt (de boedelbeschrijving is immers facultatief, doch wanneer ze wordt
       opgesteld, dient dit te gebeuren in notariële vorm.
     • een uittreksel uit de geboorteakten en uit de huwelijksakte van de echtgenoten;
     • een uittreksel uit de geboorteakte van de kinderen die de echtgenoten samen opvoeden (ook al zijn het geen
       gemeenschappelijke kinderen)
     • een bewijs van nationaliteit van de echtgenoten.

2. Verder verloop – aantal verschijningen

Na het indienen van het verzoekschrift bij de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, zullen de partijen minstens 1 maal voor de rechter moeten verschijnen.

De eerste verschijning vindt plaats circa één maand na de indiening van het verzoekschrift. 

Indien de echtgenoten aantonen dat ze op het ogenblik waarop de vordering wordt ingediend al meer dan zes maanden feitelijk gescheiden zijn, worden ze vrijgesteld van de tweede verschijning.

Indien de echtgenoten bij de inleiding van de vordering nog geen zes maanden feitelijk gescheiden leven, dan blijft zoals voorheen een tweede verschijning vereist, met een reflectieperiode van drie maanden tussen de twee verschijningen.

De echtgenoten zijn echter thans niet langer verplicht persoonlijk te verschijnen bij de tweede verschijning. Zij kunnen zich laten vertegenwoordigen door een advocaat of notaris.  Deze mogelijkheid tot vertegenwoordiging geldt niet voor de eerste verschijning, waarbij de persoonlijke verschijning van beide echtgenoten samen verplicht blijft, behoudens het geval waarbij de voorzitter in uitzonderlijke omstandigheden bij gemotiveerde beschikking vrijstelling kan verlenen van persoonlijke verschijning.

3. Mogelijkheid hoger beroep. Definitief worden echtscheiding

Sinds de wetswijziging van 2 juni 2010, beschikt niet langer enkel het Openbaar Ministerie  over de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis dat de echtscheiding uitspreekt, binnen de maand na het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, maar ook de partijen zelf. Dit kan echter slechts in één geval, namelijk indien de wettelijke voorwaarden om de echtscheiding uit te spreken niet zijn vervuld.

Tegen een vonnis dat de echtscheiding weigert, kan zowel door het Openbaar Ministerie, als door partijen hoger beroep worden aangetekend binnen de maand na het vonnis.

Na deze termijn, en bij gebreke aan hoger beroep, is de echtscheiding definitief tussen de echtgenoten.

De griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg zal binnen de maand na het definitief worden van de echtscheiding een uittreksel van het echtscheidingsvonnis toesturen aan de burgerlijke stand van de gemeente waar het huwelijk heeft plaats gehad. Binnen de maand wordt het echtscheidingsvonnis dan overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Vanaf dat moment zijn de echtgenoten ook naar derden toe uit de echt gescheiden.

 

2.3 Wat gebeurt er indien één van de echtgenoten zich tijdens de procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming bedenkt?

 

Indien afstand wordt gedaan van de procedure, verbinden de voorlopige overeenkomsten de partijen voorlopig, met name totdat er desgevallend een ander akkoord wordt bekrachtigd door de echtscheidingsrechter in het kader van een procedure EOO, of totdat nieuwe voorlopige maatregelen worden bevolen door de voorzitter in kort geding.

In geval één van de partijen niet meer komt opdagen op de tweede verschijning of in de loop van de procedure te kennen geeft dat hij de procedure EOT niet wenst verder te zetten, dan kan de meest gerede partij verzoeken dat de overgang wordt gemaakt naar de procedure EOO. In dit geval telt de datum van de eerste verschijning in het kader van de procedure EOT als aanvangspunt van de termijn van de vereiste één jaar feitelijke scheiding (zie verder).

 

2.4 Kunnen na de echtscheiding door onderlinge toestemming de voorafgaande overeenkomsten nog worden gewijzigd?

 

De overeenkomsten m.b.t. de kinderen kunnen door de bevoegde rechter worden gewijzigd wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen (naargelang het gaat om regelingen m.b.t. het ouderlijk gezag en/of verblijfsregelingen/omgangsrecht, dan wel om zuiver alimentaire maatregelen, is de jeugdrechtbank, respectievelijk de vrederechter bevoegd).

Het bedrag van de uitkering tussen de echtgenoten, zo er één werd overeengekomen, kan voortaan, in afwijking van wat van toepassing was voor de inwerkingtreding van de nieuwe echtscheidingswet, door de rechtbank worden verhoogd, verminderd, of afgeschaft indien tengevolge van nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen het bedrag ervan niet meer aangepast is, tenzij de echtgenoten deze wijzigingsmogelijkheid uitdrukkelijk hebben uitgesloten.
Deze regeling is enkel van toepassing op overeenkomsten gesloten na 01.09.2007.
De onderhoudsuitkering tussen de echtgenoten blijft, net zoals vroeger, eveneens aanpasbaar indien de echtgenoten hiertoe in hun familierechtelijke overeenkomst hebben voorzien via een wijzigingsclausule.

De regelingen omtrent de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen zijn in principe, en behoudens in het uitzonderlijke geval van nietigheid omwille van wilsgebreken, niet meer wijzigbaar.

 

top

 

3. Echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting

 

3.1 In welke hypotheses kan een echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk worden verkregen?

 

Er is sprake van een onherstelbare ontwrichting van het huwelijk indien de voortzetting of de hervatting van het samenwonen tussen de echtgenoten redelijkerwijs onmogelijk is geworden.  Er kunnen hierbij drie hypotheses worden onderscheiden:

1. De onherstelbare ontwrichting waarvan het bewijs met alle wettelijke bewijsmiddelen wordt geleverd (eerste “subgrond”)

De EOO moet dadelijk worden uitgesproken wanneer de rechter de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk vaststelt op basis van het bewijs ervan door de eisende partij. Zowel foutieve gedragingen in de zin van de oude echtscheidingsgronden (overspel, zware beledigingen), als niet-foutieve gedragingen in deze zin (bv. geestesstoornis, verwijdering van de echtgenoten door gevangenschap, …) komen hierbij in aanmerking.  Het bewijs van de onherstelbare ontwrichting kan worden geleverd met alle wettelijke middelen. Ook de betrapping op overspel is nog steeds mogelijk.

2. De onherstelbare ontwrichting die voortvloeit uit een wettelijk bepaalde periode van feitelijke scheiding (tweede “subgrond”)

De rechter moet, in tweede instantie, eveneens de echtscheiding uitspreken wanneer de termijnen van feitelijke scheiding, zoals vooropgesteld door de wetgever, zijn verstreken.

In geval van een gezamenlijk of aanvaard verzoek tot echtscheiding, moeten de echtgenoten meer dan zes maanden feitelijk gescheiden leven opdat de echtscheiding zou kunnen worden uitgesproken.
Leven de echtgenoten meer dan zes maanden feitelijk gescheiden op het ogenblik van de verschijning voor de rechter, dan spreekt de rechter de echtscheiding dadelijk uit.
Leven de echtgenoten op het ogenblik van de verschijning voor de rechter wel feitelijk gescheiden, maar nog niet meer dan zes maanden, dan wordt een nieuwe zitting vastgesteld op een datum die onmiddellijk volgt op het verstrijken van de vereiste termijn van zes maanden. De echtscheiding wordt op die zitting uitgesproken als de echtgenoten hun wil daartoe bevestigen.

Gaat de vordering tot EOO uit van één van de echtgenoten en verklaart de andere zich er niet akkoord mee, dan is een feitelijke scheiding van meer dan één jaar vereist.
Leven de echtgenoten op het ogenblik van de verschijning voor de rechter al meer dan een jaar feitelijk gescheiden, dan spreekt hij de echtscheiding dadelijk uit.
Is de vereiste termijn van feitelijke scheiding nog niet verstreken bij de eerste verschijning, dan wordt ook hier een tweede zitting vastgesteld op een datum die onmiddellijk volgt op het verstrijken van de termijn van een jaar. Op die zitting kan het verzoek tot echtscheiding dan worden gedaan door “een van de partijen”, dus ook enkel door de verweerder.

Het bewijs van de feitelijke scheiding van de echtgenoten kan worden geleverd door alle wettelijke middelen, met uitzondering van de bekentenis en de eed.
De feitelijke scheiding zal in het overgrote deel van de gevallen worden aangetoond door een getuigschrift van woonplaats, waaruit blijkt dat de echtgenoten de vereiste tijd op een verschillend adres zijn ingeschreven.

3. De echtscheiding na herhaald verzoek (derde “subgrond”)

De echtgenoten kunnen ook scheiden zonder een minimale periode van feitelijke scheiding te moeten doorlopen, namelijk wanneer ze de wil tot scheiden na een bepaalde reflectieperiode herhalen.

In geval van een gezamenlijk of aanvaard verzoek tot echtscheiding, moeten de echtgenoten een reflectietermijn van drie maanden in acht nemen vooraleer de echtscheiding kan worden uitgesproken.
Indien op de eerste zitting de rechter vaststelt dat de echtgenoten nog geen zes maanden feitelijk gescheiden leven, dan stelt hij een nieuwe zitting vast drie maanden na de eerste verschijning van de partijen. Op die zitting spreekt de rechter de echtscheiding uit indien de echtgenoten hun wil daartoe bevestigen.
De rechter moet de kortste weg naar de echtscheiding volgen. Leven de echtgenoten op de eerste zitting al meer dan drie maanden feitelijk gescheiden, dan zal de rechter met toepassing van de “tweede subgrond” een zitting vastleggen onmiddellijk na het verstrijken van de vereiste termijn van zes maanden feitelijke scheiding.

Gaat de vordering tot EOO uit van één van de echtgenoten en verklaart de andere echtgenoot zich er niet akkoord mee, dan moet een reflectieperiode van één jaar worden nageleefd.
Indien op de eerste zitting de rechter vaststelt dat de echtgenoten nog geen jaar feitelijk gescheiden leven, dan stelt hij een nieuwe zitting vast. Deze zitting vindt plaats een jaar na de eerste zitting. Op die zitting spreekt de rechter de echtscheiding uit indien één van de partijen – dus eventueel de verweerder – daarom verzoekt.

 

3.2 Hoe wordt de procedure bij echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting ingeleid en welke stukken moeten worden bijgevoegd?

 

1. Manier van inleiding

De normale manier van inleiding van de zaak gebeurt via een verzoekschrift op tegenspraak, zowel ingeval de echtscheiding wordt gevorderd door één van de echtgenoten, als ingeval de echtscheiding wordt gevorderd door de echtgenoten gezamenlijk op grond van feitelijke scheiding of een herhaald verzoek.

Enkel wanneer een echtgenoot de echtscheidingsvordering steunt op grond van het bewijs van de onherstelbare ontwrichting, blijft in principe een dagvaarding vereist.

De echtgenoten kunnen ook vrijwillig verschijnen.

De gedinginleidende akte kan ook de eventuele vorderingen bevatten inzake de voorlopige maatregelen (zie verder).

2. Neer te leggen stukken

De eisende echtgenoot, hetzij de verzoekende echtgenoten gezamenlijk, dienen principieel zelf in te staan voor de neerlegging hetzij voorafgaandelijk ter griffie, hetzij ten laatste op de inleidingszitting, van volgende stukken betreffende ieder van de echtgenoten en de eventuele kinderen:
     • een bewijs van identiteit, van nationaliteit en van de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;
     • een voor eensluidend verklaard afschrift of uittreksel van de akten van geboorte van de kinderen;
     • een voor eensluidend verklaard afschrift van de laatste huwelijksakte, en een voor eensluidend verklaard afschrift van de
       laatste huwelijksovereenkomst (wanneer de echtgenoten niet zijn gehuwd volgens het wettelijk stelsel)
     • indien deze verschilt met de verblijfplaats die in het rijksregister is vermeld, het bewijs van de huidige verblijfplaats of, in
       voorkomend geval, een bewijs van de gewone verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden.

In de meeste gevallen zal echter de eisende echtgenoot, hetzij de verzoekende echtgenoten, gebruik kunnen maken van de vrijstellingen waarin de wetgever voorziet, en worden de stukken, met uitzondering van het uittreksel uit de laatste huwelijksovereenkomst, door de griffie zelf verzameld na consultatie van de registers van de burgerlijke stand. Uit de praktijk blijkt echter dat de verzameling door de griffie zelf enige tijd in beslag kan nemen, zodat het aan te raden is zelf de nodige stukken te verzamelen. 

 

3.3 Hoe verloopt de verdere behandeling bij de  procedure bij echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting?

 

1. Persoonlijke verschijning van de echtgenoten

Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, is de persoonlijke verschijning van beide echtgenoten vereist in geval van een gezamenlijke vordering, en in de andere gevallen de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij hetzij op hoofdeis, hetzij op tegeneis.

2. Behandeling in raadkamer. Aanmoediging van de bemiddeling

In alle hypotheses heeft de zitting plaats in raadkamer, zowel in geval van gezamenlijk verzoek, als in geval van eenzijdig verzoek, en zowel in eerste aanleg als in graad van hoger beroep.

De rechter dient partijen pogen te verzoenen, en hen in dit kader in te lichten over het nut en de rechtspleging van de gerechtelijke bemiddeling.
Indien de rechter vaststelt dat een toenadering tussen de echtgenoten mogelijk is, dan kan hij, zelfs tegen de wil van partijen in, de schorsing van de procedure bevelen teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden alle nuttige inlichtingen omtrent de bemiddeling in te winnen, zonder dat echter deze schorsing meer dan één maand mag bedragen. Wordt binnen deze termijn de bemiddeling daadwerkelijk opgestart, dan kan de echtscheidingsrechter de zaak nog op een onbepaalde termijn uitstellen teneinde de bemiddeling een kans te geven, dit overeenkomstig de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de gerechtelijke bemiddeling.

3. Gerechtskosten

Na de veelvuldige kritiek op de oorspronkelijke regeling zoals bepaald in de wet van 27 april 2007, werd de regeling van de gerechtskosten gewijzigd bij wet van 17 november 2009.

In geval de echtscheiding wordt uitgesproken op grond van het bewijs van de onherstelbare ontwrichting (art. 229, § 1 BW), of de echtscheiding wordt uitgesproken op verzoek van één van de echtgenoten (art. 229, § 3 BW), dan draagt iedere partij zijn eigen kosten behoudens andersluidend akkoord tussen de partijen of een andersluidende beslissing van de rechter.

In geval de echtscheiding wordt uitgesproken op gezamenlijk verzoek van de echtgenoten (art. 229, § 2 BW), dan worden de gerechtskosten in principe gelijk tussen de partijen verdeeld, behoudens andersluidende overeenkomst tussen de echtgenoten.

4. Mogelijkheid hoger beroep. Definitief worden echtscheiding

Zowel tegen een vonnis dat de echtscheiding uitspreekt, als tegen een vonnis dat de echtscheiding weigert, kan door één van de echtgenoten hoger beroep worden aangetekend, en dit uiterlijk binnen de maand na betekening van het vonnis. 

Bij gebreke aan (tijdig) hoger beroep, treedt het vonnis in kracht van gewijsde en is het definitief tussen de echtgenoten.

T.a.v. derden dient het beschikkend gedeelte nog te worden overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand, teneinde het vonnis ook t.a.v. hen definitief te maken (zie boven).

 

3.4 Welke echtgenoot kan een persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding verkrijgen?

 

1. Mogelijk akkoord tussen de echtgenoten

De echtgenoten kunnen in eerste instantie een akkoord treffen omtrent het onderhoudsgeld dat de ene echtgenoot aan de andere zal betalen na echtscheiding.
Tijdens de procedure, voor de ontbinding van hun huwelijk, kunnen de echtgenoten wel geen afstand doen van het recht op een onderhoudsuitkering na echtscheiding. Deze afstand kan wel worden gedaan in het kader van een overeenkomst die wordt gehomologeerd in hetzelfde vonnis dat de echtscheiding uitspreekt. Op dat moment kunnen trouwens ook andere akkoorden worden gehomologeerd (bv. inzake de kinderen).

2. “Behoeftigheid” van de verzoekende echtgenoot

De verzoekende echtgenoot die via de rechter een onderhoudsuitkering wenst te verkrijgen dient niet langer, zoals dit het geval was onder het oude recht, aan te tonen dat hij de exclusief onschuldige echtgenoot is.

De verzoeker zal daarentegen moeten aantonen dat hij behoeftig is.

De “behoeftigheid” dient hierbij niet als een absoluut begrip te worden begrepen: de economisch zwakste ex-echtgenoot is ‘behoeftig’ en dus principieel onderhoudsgerechtigd, de economisch sterkste ex-echtgenoot is principieel onderhoudsplichtig.

3. Uitsluiting- en temperingsgronden

Zelfs indien de verzoekende echtgenoot behoeftig is, zal deze geen uitkering kunnen verkrijgen wanneer de principieel uitkeringsplichtige echtgenoot kan bewijzen dat de principieel onderhoudsgerechtigde echtgenoot een “zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt”. Er kan worden gedacht aan bv. overspel, zware beledigingen, geweldddaden,…

De appreciatiebevoegdheid berust bij de rechter.

Indien de principieel uitkeringsplichtige echtgenoot kan bewijzen dat de andere echtgenoot een veroordeling heeft opgelopen wegens de in de wet bepaalde misdrijven van partnergeweld, heeft de rechter geen beoordelingsbevoegdheid.

Indien tenslotte de principieel uitkeringsplichtige echtgenoot kan bewijzen dat de staat van behoefte van de principieel uitkeringsplichtige echtgenoot het gevolg is van een eenzijdig genomen beslissing zonder dat de noden van de familie deze keuze gerechtvaardigd hebben (“exceptie van luiheid”), dan kan de rechter de uitkeringsplichtige echtgenoot hetzij ontheffen van het betalen van de uitkering, hetzij deze verplichten tot een verminderde uitkering.

 

3.5 Op welke manier wordt het persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding begroot?

 

Indien de behoeftigheid wordt aangetoond, en het bewijs van één van de uitsluitingsgronden niet wordt geleverd, dan zal de rechter bij de bepaling van het bedrag rekening houden met de inkomsten en mogelijkheden om inkomsten te verweren van beide echtgenoten, en met de “aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde echtgenoot”. Hierbij spelen de leeftijd van partijen, de duur van het huwelijk, en de manier waarop de huishouding werd georganiseerd tijdens het samenleven (bv. het feit dat een van de echtgenoten in gemeen overleg niet is gaan werken om de kinderen op te voeden) een belangrijke rol.

Er is in rechtspraak en rechtsleer al heel wat discussie geweest hoe de economische terugval concreet moet worden beoordeeld, met name welke twee situaties dienen te worden vergeleken. In een eerste visie wordt geoordeeld dat de rechter de situatie van de uitkeringsgerechtigde echtgenoot moest vergelijken met de situatie dat deze echtgenoot niet zou zijn gehuwd met de uitkeringsplichtige. Waar zou deze echtgenoot dan professioneel staan? Stel dat een echtgenote met een hoger diploma dat in principe garantie biedt op hogere carrièrekansen na de geboorte van de kinderen halftijds is gaan werken en dit in samenspraak met haar echtgenoot teneinde deze toe te laten zijn carrière volop uit te bouwen. Door deze beslissing heeft de vrouw hoogstwaarschijnlijk belangrijke promotiekansen gemist alsook minder pensioenrechten opgebouwd. In geval van echtscheiding op een moment dat kan worden verwacht dat deze echtgenote gelet op haar leeftijd haar beroepscarrière niet meer naar behoren kan opbouwen, zal haar aanzienlijke economische terugval kunnen worden gecompenseerd door een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding. Het feit dat deze echtgenoot door de echtscheiding ook een deel van haar huwelijkse levensstandaard verliest, dient echter in deze visie niet te worden gecompenseerd. Dit is wel het geval in een tweede visie die stelt dat de aanzienlijke economische terugval doelt op het verlies aan levenstandaard door echtscheiding, m.a.w. deze visie vergelijkt de situatie van de echtgenote alsof er nooit een echtscheiding was geweest. Het is duidelijk dat deze visie nauwer aansluit bij de opvatting van het onderhoudsgeld na echtscheiding van voor de wet van 27 april 2007 en het criterium va de gelijkwaardige levensstandaard. Sinds de tussenkomst van een arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2009 kan er worden van uitgegaan dat, zonder het verlies aan levenstandaard volledig te moeten compenseren, de rechter ook rekening kan houden met het verlies aan levenstandaard door de echtscheiding.

Het minimumbedrag van de uitkering is de staat van behoefte (hier eerder opgevat als een “echte” behoeftigheid), en de maximumgrens, zoals vroeger, één derde van de netto-inkomsten van de uitkeringsgerechtigde, d.w.z. de inkomsten uit arbeid en vermogen, na aftrek van de fiscale en sociale verplichtingen.

 

3.6 Hoe lang dient het persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding te worden betaald, en kan het worden aangepast?

 

1. Wettelijke maximumduur

De duur van de uitkering is maximaal beperkt tot de duur van het huwelijk. De rechter kan uiteraard ook een kortere duur bepalen.

Na het verstrijken van de door de rechter bepaalde termijn, of na het verstrijken van de termijn gelijk aan de duur van het huwelijk, vervalt de uitkering van rechtswege, zonder dat de uitkeringsplichtige echtgenoot zich tot de rechter moet wenden.
De rechter kan enkel na het verstrijken van deze termijn, en op verzoek van de uitkeringsplichtige echtgenoot, de termijn verlengen, indien deze buitengewone omstandigheden aantoont, namelijk dat hij, om reden onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in een staat van behoefte verkeert.  De uitkering zal in dit geval worden beperkt tot het bedrag dat noodzakelijk is om de staat van behoefte (minimumbegrip) te dekken.

De in de wet bepaalde maximumduur is volgens de oorspronkelijke wet ook van toepassing op de onderhoudsuitkeringen die definitief werden vastgelegd in uitspraken voor de inwerkingtreding van de nieuwe echtscheidingswet. In dit geval neemt de maximumtermijn aanvang vanaf 01.09.2007. Het Grondwettelijk Hof heeft echter deze bepaling nietig verklaard.

2. Verval van de uitkering

De uitkering vervalt van rechtswege indien de onderhoudsgerechtigde echtgenoot wettelijk gaat samenwonen of een nieuw huwelijk aangaat.
Indien de echtgenoot feitelijk gaat samenwonen, dan kan de rechter de uitkering afschaffen of verminderen.

Ook bij overlijden van de uitkeringsplichtige echtgenoot vervalt het onderhoudsgeld, onverminderd de mogelijkheid om een onderhoudsuitkering lastens de nalatenschap te vorderen.

3. Wijziging van de uitkering

Indien tengevolge nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van partijen het bedrag van de uitkering niet meer aangepast is, kan de rechter in een later vonnis op verzoek van één van de partijen de uitkering wijzigen, tenzij de echtgenoten zijn overeengekomen deze wijzigingsmogelijkheid uit te sluiten.

Ook de wijziging in de vermogenstoestand van de echtgenoten tengevolge hun rechten in de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel, geeft de mogelijkheid om een aanpassing te verzoeken.

 

3.7 Kunnen er tijdens de echtscheidingsprocedure reeds bepaalde maatregelen worden getroffen m.b.t. de echtgenoten en hun kinderen?

 

1. Inhoud van de maatregelen. Algemeen

Net zoals de echtgenoten in de hypothese dat er nog geen echtscheidingsprocedure hangende is dringende voorlopige maatregelen kunnen bekomen van de vrederechter m.b.t. henzelf persoonlijk, hun goederen, en hun kinderen, kunnen zij ook om maatregelen verzoeken voor de periode dat de echtscheidingsprocedure hangende is. Het gaat hier om “voorlopige maatregelen” bevolen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding.

Het mogelijk voorwerp van de gevraagde maatregelen is identiek aan de maatregelen die aan de vrederechter kunnen worden gevraagd. Klassiek bestaan deze uit de vraag tot:
     • afzonderlijke verblijfplaatsen met desgevallend de mogelijkheid tot gedwongen uitdrijving;
     • voorlopige tenlasteneming van de hypothecaire lening en andere schulden;
     • voorlopig gebruiksrecht inboedel en andere roerende zaken;
     • vervreemdingsverbod gemeenschappelijke (gemeenschapsstel) of onverdeelde goederen (stelsel van scheiding van
       goederen) en vraag tot inventarisatie;
     • persoonlijke onderhoudsbijdrage;
     • regeling ouderlijk gezag en verblijfsregeling/omgangsregeling kinderen;
     • financiële bijdrage omtrent de kinderen: maandelijkse onderhoudsbijdrage en bijdrage in de buitengewone kosten.

2. Inhoud van de maatregelen: gezags-en verblijfsregeling omtrent de kinderen

In eerste instantie dient de uitoefening van het ouderlijk gezag over de kinderen te worden geregeld (de term “hoederecht” is voortaan uit den boze).
Als uitgangspunt geldt dat de (feitelijk) gescheiden ouders het ouderlijk gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Dit betekent niet dat zij voor alle beslissingen ook samen dienen op te treden. De ouder die een beslissing neemt, wordt geacht de juiste beslissing te hebben genomen, behoudens verhaal van de andere ouder.
Slechts uitzonderlijk zal de rechter, op verzoek van één van de echtgenoten, de uitoefening van het ouderlijk gezag exclusief aan deze ouder toevertrouwen. De andere ouder behoudt alleszins het recht van toezicht op de opvoeding en heeft het recht om bv. informatie van derden (bv. school) in te winnen.
De rechter kan ook beslissen dat voor belangrijke beslissingen (bv. schoolkeuze) de ouders beiden daadwerkelijk samen dienen op te treden.

Naast de regeling van het ouderlijk gezag, dient ook het verblijf van de kinderen te worden geregeld.
De kinderen dienen hun hoofdverblijf bij één ouder te hebben, alsook hun inschrijving in de bevolkingsregisters.
De verblijfsregeling bij de andere ouder kan variëren van een klassiek weekendverblijf en de helft van de vakanties, tot een echt gelijkmatig verdeeld verblijf. Sinds de wetswijziging in 2006 wordt trouwens het verblijfsco-ouderschap door de rechter als prioritair model onderzocht wanneer één van de ouders hierom verzoekt. Hoe dan ook primeert het belang van het kind. Zo zal een verblijfsco-ouderschap niet mogelijk zijn indien één van de ouders op te grote en voor de kinderen belastende afstand van de school woont.
De mening van de kinderen wordt belangrijker naarmate het kind ouder wordt. De blijkbaar wijd verspreide stelling dat het kind “vanaf 12 jaar mag kiezen bij wie het verblijft” is echter niet correct.
Er bestaat evenmin een verplichting voor de rechter om de kinderen te horen vanaf 12 jaar, in tegenstelling tot wat betreft de procedures voor de jeugdrechtbank. Het kind kan wel worden gehoord hetzij op eigen verzoek, hetzij op ambtshalve verzoek van de rechter.

In het uitzonderlijke geval van een exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag door een ouder, heeft de andere ouder een recht op persoonlijk contact (of “omgangsrecht”) met het kind (de term “bezoekrecht” is voortaan uit den boze).

3. Inhoud van de maatregelen: financiële regeling omtrent de kinderen

Beide ouders blijven ook tijdens de feitelijke scheiding en na de echtscheiding verplicht naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de kosten verbonden aan de huisvesting, levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Desgevallend dient een onevenwicht te worden gecompenseerd door de betaling van een onderhoudsbijdrage door de ene ouder aan de andere.

Op 1 augustus 2010 is de wet van 19 maart 2010 ter bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen in werking getreden. Elke rechterlijke beslissing die een onderhoudsbijdrage voor een kind vaststelt dient voortaan een aantal verplichte beoordelingscriteria te vermelden. Voorts voert de wet ook een wettelijke regeling in m.b.t. de “kindrekening”, waarmee de kosten verbonden aan de kinderen kunnen worden betaald. Het begrip “buitengewone kosten” wordt tevens in de wet omschreven. Nieuw is ook dat de rechter in zijn vonnis op vraag van één van de partijen kan beslissen dat in de door hem bepaalde omstandigheden de onderhoudsbijdrage zal worden verhoogd, zonder dat opnieuw naar de rechtbank moet worden gegaan.

De nieuwe wet wil ook verder tegemoetkomen aan de problemen van niet-betaling van de onderhoudsbijdrage. Vroeger bestond reeds de mogelijkheid, naast een beslagprocedure, om aan de rechter te vragen dat de onderhoudsbijdrage rechtstreeks kon worden geïnd via de schuldenaar van de onderhoudsplichtige, de zogenaamde ontvangstmachtiging. Daarbij houdt de schuldenaar van de onderhoudsplichtige, meestal de werkgever het onderhoudsgeld van het loon in en stort hij het rechtstreeks door aan de begunstigde. De rechter beslist over deze vraag. Wanneer een onderhoudsplichtige het voorbije jaar 2 termijnen de onderhoudsbijdrage voor de kinderen niet betaalt, of slechts gedeeltelijk betaalt, dan kan echter de rechter onder de nieuwe wet de ontvangstmachtiging niet weigeren (tenzij bij bewijs van een uitzonderlijke situatie).

4. Inhoud van de voorlopige maatregelen: voorlopig genotsrecht van de gezinswoonst

Een ander vaak belangrijk discussiepunt betreft het voorlopig genotsrecht van de woning. De rechter kan immers, op verzoek van één van de echtgenoten, het genot van de gezinswoning, of een ander onroerend goed, aan één van de echtgenoten toekennen. De rechter spreekt zich hier enkel uit over het genotsrecht, en niet over de eigendomsaspecten.
De rechter kan eveneens de hypothecaire lening al dan niet volledig ten laste leggen van één echtgenoot.
Het is hierbij belangrijk te vermelden dat het voorlopig gebruik van de woning in de latere vereffening en verdeling desgevallend kan leiden tot het verschuldigd zijn van een woonstvergoeding aan de andere echtgenoot. Na echtscheiding is in principe altijd een woonstvergoeding verschuldigd. Ook indien één echtgenoot de volledig afbetaling van de hypothecaire lening op zich neemt, kan dit desgevallend nadien nog worden verrekend.

5. Manier waarop de voorlopige maatregelen worden gevraagd - rol (echtscheidings)rechter

De echtgenoten kunnen om de voorlopige maatregelen verzoeken hetzij in het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding zelf, hetzij via een aparte dagvaarding.

Wordt de vraag tot het bekomen van de voorlopige maatregelen aan de echtscheidingsrechter voorgelegd, samen met de vordering tot echtscheiding, dan kan deze enkel hetzij een (gedeeltelijk) akkoord homologeren, hetzij de discussie omtrent de voorlopige maatregelen op vraag van minstens één van de echtgenoten ter beslechting doorverwijzen naar de kort geding rechter.

 

3.8 Tot wanneer blijven de voorlopige maatregelen gelden?

 

De maatregelen die hetzij werden gehomologeerd door de echtscheidingsrechter, hetzij werden bevolen door de kort geding rechter zijn voorlopig en gelden in principe maar tot het definitief worden van de echtscheiding tussen de echtgenoten. Zo zal de echtgenoot die een onderhoudsuitkering heeft verkregen in kort geding en deze wenst te behouden na echtscheiding, om een onderhoudsuitkering na echtscheiding moeten verzoeken voor de echtscheidingsrechter, of nadien voor de vrederechter, vermits het onderhoudsgeld dat werd toegekend door de voorzitter in kort geding van rechtswege vervalt na het definitief worden van de echtscheiding.

De maatregelen m.b.t. de kinderen blijven echter ook gelden na de echtscheiding, en dit tot er nieuwe maatregelen worden overeengekomen of worden bevolen door de bevoegde rechter (jeugdrechter inzake regeling ouderlijk gezag en verblijfsregeling, en vrederechter inzake zuiver alimentaire maatregelen). De regeling m.b.t. de kinderen is echter, weliswaar onder bepaalde voorwaarden, steeds wijzigbaar.

 

top

 

4. Handhavingsrecht

 

4.1 Welke acties kunnen worden ondernomen wanneer de onderhoudsuitkering niet wordt betaald?

 

1. Beslag en inkomstendelegatie

Indien de onderhoudsplichtige (een gedeelte van) de onderhoudsuitkering die werd overeengekomen of door de rechter werd opgelegd voor zijn (ex-)echtgenoot of de kinderen niet vrijwillig betaalt, kan er voor de achterstallen beslag worden gelegd door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder.
Dit beslag kan desgevallend worden gelegd op een onroerend goed van de onderhoudsplichtige, op diens roerende goederen, of op diens loon of andere inkomsten. Meestal is een loonbeslag het meest effectieve middel.

Beschikt de onderhoudsgerechtigde over een (voorlopig) uitvoerbaar vonnis of een notariële akte, dan dient er voorafgaandelijk geen rechter meer tussen te komen. Dit is wel het geval indien de onderhoudsverplichting werd vastgelegd in een onderhandse overeenkomst.

De onderhoudsgerechtigde beschikt in ieder geval over een “supervoorrecht”. Ook al zijn er andere schulden, dan zal toch eerst de onderhoudsgerechtigde zijn achterstallen mogen trachten te recupereren.  Bovendien kunnen de inkomsten van de onderhoudsplichtige volledig in beslag worden genomen, in tegenstelling met een beslag wegens andere schulden waar een bepaald bedrag aan inkomsten niet in beslag kan worden genomen.

Om de moeilijkheden die soms met een beslag gepaard gaan te vermijden, kan de onderhoudsgerechtigde onmiddellijk bij de vraag tot het verkrijgen van het onderhoudsgeld aan de rechter ook vragen dat hij zich bij niet-betaling mag wenden tot de schuldenaar van de inkomsten (meestal loon of vervangingingsinkomsten) van de onderhoudsplichtige (de zogenaamde “ontvangstmachtiging”). Deze schuldenaar (werkgever, RVA, …) zal dan elke maand de verschuldigde onderhoudsuitkering rechtstreeks overmaken aan de onderhoudsgerechtigde. Deze procedure verloopt zonder de tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder. De griffier zorgt op verzoek van de onderhoudsgerechtigde voor de kennisgeving van het vonnis aan de werkgever of andere uitbetalingsinstantie. Indien het om een onderhoudsbijdrage voor de kinderen gaat, en de schuldenaar minstens twee termijnen gedurende 12 maanden die het verzoekschrift voorafgaan in gebreke blijft, dan kan de rechter de vraag tot het bekomen van de ontvangstmachtiging niet weigeren (zie hoger).

2. Strafrechtelijke procedure: “familieverlating”

Wanneer een onderhoudsplichtige veroordeeld is om een uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot of kinderen en meer dan twee maanden vrijwillig niet betaalt, maakt hij zich schuldig aan het misdrijf van familieverlating. Voorwaarde is dan wel dat tegen de rechterlijke beslissing, waarbij hij veroordeeld werd de uitkering te betalen, geen verzet of hoger beroep meer openstaat.
Ook wanneer de onderhoudsverplichting, vastgelegd in een overeenkomst voorafgaandelijk EOT, niet wordt gerespecteerd is dit strafbaar.
Ook de niet-betaling van de verplichte bijdrage in de buitengewone kosten valt onder dit misdrijf.

De onderhoudsgerechtigde echtgenoot kan klacht bij de politie neerleggen, klacht met burgerlijke partijstelling formuleren bij de onderzoeksrechter, of zelfs de onderhoudsplichtige rechtstreeks dagvaarden voor de correctionele rechtbank.
Meestal wordt de procedure aangewend als ultiem drukkingsmiddel teneinde de onderhoudsplichtige er toch nog toe aan te zetten tot betaling over te gaan.

3. Tussenkomst Dienst Alimentatievorderingen (DAVO)

Teneinde de problemen die gepaard gaan met het niet betalen van het onderhoudsgeld tegemoet te komen heeft de overheid de DAVO opgericht, de Dienst voor Alimentatievorderingen.

De DAVO heeft als opdracht het maandelijks bedrag van het onderhoudsgeld en de achterstallen in te vorderen, in naam en voor rekening van de onderhoudsgerechtigden. Deze hoeft dus niet onmiddellijk zelf te procederen en betaalt enkel een administratiekost.

Daarnaast kan de DAVO ook voorschotten op het onderhoudsgeld uitbetalen, dit echter op voorwaarde dat de maandelijkse bestaansmiddelen een bepaald bedrag niet overschrijden.

Verdere informatie kan worden aangevraagd via davo.centraal@minfin.fed.be.

 

4.2 Welke acties kunnen worden ondernomen wanneer de verblijfsregeling/omgangsregeling niet wordt nageleefd?

 

1. Burgerrechtelijke mogelijkheden sinds de Wet van 18 juli 2006

De wetgever heeft willen verhelpen aan de situatie waarbij de ouder die zijn verblijfsregeling/omgangsregeling met zijn kinderen zag geboycot door de andere echtgenoot dikwijls weinig reactiemogelijkheden had om zijn recht ook effectief uit te oefenen.

Sinds de wet van 18 juli 2006 kan de ouder die wordt geconfronteerd met een onwillige andere ouder die weigert de rechterlijke beslissingen m.b.t. de huisvesting van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter brengen. De bevoegde rechter is degene die de niet-nageleefde beslissing heeft gewezen, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt, in welk geval de vordering voor deze laatste wordt gebracht.

De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. De mogelijkheden van de rechter reiken ver.
Hij kan onder meer:
     • nieuwe beslissingen nemen met betrekking tot het ouderlijk gezag of de huisvesting van het kind.
     • de partij die het slachtoffer is van de miskenning toestaan een beroep te doen op dwangmaatregelen. Concreet komt
       dit er op neer dat de rechter een gerechtsdeurwaarder kan aanstellen die onder de voorwaarden bepaald door de
       rechter de eerder bepaalde regeling gedwongen tenuitvoer kan leggen. Vermits het hier gaat om een dwangmaatregel
       op de persoon, en dan nog op een kind, dient deze maatregel met de grootste omzichtigheid te worden genomen.
     • een dwangsom uitspreken die zal verschuldig zijn bij iedere verdere niet-naleving. Hij kan voor de tenuitvoerlegging van
       die dwangsom ook bepalen dat de beslagbare grenzen van inkomsten niet gelden (“supervoorrecht” zoals ook voor de
       achterstallige onderhoudsgelden, zie boven). De rechter kan de dwangsom ook preventief opleggen, vooraleer vaststaat
       of de rechterlijke beslissing al dan niet zal worden nageleefd.

2. Strafrechtelijke procedure

Ook de niet-aanbieding van kinderen maakt een misdrijf uit. Vaak blijkt echter het neerleggen van klachten op niets uit te draaien.

 

top

 

5. Echtscheiding/feitelijke scheiding: enkele sociaalrechtelijke en fiscaalrechtelijke implicaties

 

5.1 Heeft een uit de echt gescheiden persoon/feitelijk gescheiden echtgenoot recht op een rustpensioen op basis van de loopbaan als werknemer van zijn (gewezen) echtgenoot?

 

1. Echtscheiding

Indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, dan kan de uit de echt gescheiden persoon genieten van een rustpensioen op basis van de loopbaan als werknemer van zijn gewezen huwelijkspartner:
     • De aanvrager is 65 jaar (man) en 64 of 65 jaar (vrouw), tenzij de loopbaan van de aanvrager voldoet om met vervroegd 
       pensioen te gaan op 60 jaar;
     • De aanvrager is niet ontzet uit de ouderlijke macht;
     • De aanvrager is niet veroordeeld om zijn echtgenoot naar het leven te hebben gestaan;
     • De aanvrager is niet hertrouwd, of, indien dit wel het geval is, werd het nieuwe huwelijk ontbonden door overlijden of
       echtscheiding
     • De echtscheiding is definitief en overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het rustpensioen voor de uit de echt gescheiden echtgenoot wordt op dezelfde manier berekend als het gewone rustpensioen. Het pensioen zal dus worden berekend alsof de aanvrager niet-beroepsactieve echtgenoot zelf de beroepsactiviteit heeft uitgeoefend.

Voor de jaren van het huwelijk waarin de aanvrager van het pensioen als gescheiden echtgenoot niet heeft gewerkt verkrijgt deze een pensioen als uit de echt gescheiden partner. Voor de huwelijksjaren waarin de aanvrager zelf een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend, krijgt deze een persoonlijk rustpensioen naast een pensioen als uit de echt gescheiden partner voor zover het loon van deze gewezen partner hoger lag dan dat van de aanvrager.

De aanvraag kan worden ingediend bij het gemeentebestuur van de woonplaats van de aanvrager of rechtstreeks bij de Rijksdienst voor Pensioenen (zie ook voor verdere, meer uitgebreide informatie  www.rvponp.fgov.be).

De aanvraag om persoonlijk rustpensioen geldt als aanvraag om pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot en omgekeerd.
Het recht op pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot wordt zonder aanvraag onderzocht als de betrokkene op het ogenblik van de echtscheiding een pensioen als feitelijk gescheiden echtgenoot geniet bij de echtscheiding 65 jaar (man) of 64 of 65 jaar (vrouw) is.

De toekenning van een rustpensioen voor de uit de echt gescheiden echtgenoot tast de eigen pensioenrechten van de andere echtgenoot op geen enkele manier aan. Integendeel, de toekenning van een pensioen kan desgevallen tot een vermindering van de onderhoudsuitkering leiden.

Voormelde regeling geldt enkel voor de uit de echtgescheiden echtgenoot van een werknemer, en niet voor de echtgenoot die uit de echt gescheiden is van een ambtenaar. Het pensioen van ambtenaren is een persoonlijk recht.

2. Feitelijke scheiding

Ook tijdens de periode van feitelijke scheiding kan de echtgenoot, ook al is die zelf nog niet pensioengerechtigd om een gedeelte van het pensioen van zijn echtgenoot, werknemer of zelfstandige, verzoeken (hier worden de eigen rechten van de pensioengerechtigde echtgenoot wel verminderd).

Het gedeelte van het pensioen als feitelijk gescheiden huwelijkspartner is gelijk aan de helft van het gezinspensioen verminderd met het persoonlijk pensioen.

 

5.2 Welke invloed heeft een (feitelijke) scheiding op de vestiging van de personenbelasting?

 

1. Feitelijke scheiding

Echtgenoten die feitelijk gescheiden leven ontvangen geen gemeenschappelijke aanslag meer vanaf het jaar na het jaar waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden.

Onder feitelijke scheiding wordt verstaan dat het centrum van de levensbelangen van elk van beide echtgenoten zich niet langer op dezelfde plaats bevindt.

Het bewijs van de feitelijke scheiding kan door alle middelen worden geleverd.
Een inschrijving op verschillende adressen is weliswaar een degelijk bewijs, maar de fiscus kan nog steeds het tegenbewijs leveren dat er, ondanks de inschrijvingen op verschillende adressen, nog wel degelijk sprake is van samenwoning.

2. Echtscheiding

Ex-echtgenoten ontvangen geen gemeenschappelijke aanslag meer in het jaar van de ontbinding van hun huwelijk.

Volgens een Circulaire van de fiscus van 2005 zou de relevante datum de overschrijving van het beschikkend gedeelte van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand zijn. Dit standpunt wordt echter bekritiseerd in de rechtsleer die het definitief worden van de echtscheiding tuissen echtgenoten (in kracht van gewijsde treden echtscheidingsvonnis) vooropstelt.

 

5.3 Wat zijn de fiscale gevolgen van het onderhoudsgeld?

 

Zowel het onderhoudsgeld dat wordt betaald aan de ex-echtgenoot, als het  onderhoudsgeld dat wordt betaald voor de kinderen die niet zijn ingeschreven op het adres van de onderhoudsplichtige, is fiscaal aftrekbaar, doch slechts ten belope van 80 %. Het volledige bedrag dient te worden aangegeven.

Omgekeerd wordt degene die onderhoudsgelden ontvangt belast op de ontvangen onderhoudsgelden, eveneens voor 80 % (er wordt 20% forfaitaire kosten verrekend).

De wet van 19 maart 2010 ter bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen, bepaalt dat ook de storting op een kindrekening als een betaling van een onderhoudsbijdrage dient te worden beschouwd.

Loutere vrijwillige betalingen, of betalingen die geen alimentair karakter hebben (bv. betaling van een opleg in het kader van de vereffening en verdeling) volstaan niet.

De betalingen moeten ook regelmatig geschieden.

Belangrijk is ook dat de uitkeringsgerechtigde geen deel mag uitmaken van het gezin van de uitkeringsplichtige. Of dit al of niet het geval is, is een feitenkwestie, desgevallend te beoordelen door de fiscale rechtbank.

De onderhoudsgelden die voor de kinderen ontvangen worden behoren niet tot de inkomsten van de kinderen die bij het inkomen van de ouders dient aangegeven te worden. In principe dient dan ook een afzonderlijke aangifte voor de kinderen te worden opgesteld. Deze aangifte dient echter niet te worden ingediend indien de inkomsten van het kind niet meer bedragen dan de belastingsvrije som. In de regel zal dit het geval zijn.

 

5.4 Welke ouder kan na echtscheiding genieten van de verhoging van de belastingvrije som wegens kind(eren) ten laste?

 

Belastingplichtigen die één of meerdere kinderen ten laste hebben, hebben recht op een verhoging van de belastingvrije som, en betalen bijgevolg minder belasingen. Hoe groot deze verhoging is onder meer afhankelijk van het aantal kinderen ten laste en de leeftijd van de kinderen.

Een kind wordt ten laste van een ouder aangemerkt indien het op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaakt van het gezin van de belastingplichtige en het zelf geen bestaansmiddelen heeft gehad die een bepaald bedrag niet overschrijden.

Het kind kan niet ten laste worden genomen door beide ouders.

In het geval van verblijfsco-ouderschap dat werd overeengekomen in een geregistreerde of door de rechter gehomologeerde overeenkomst waarin werd geopteerd voor een gelijkmatig verdeeld verblijf van de kinderen en de verdeling van de belastingvrije som, of een verblijfsco-ouderschap dat werd opgelegd door de rechter, zullen vanaf het aanslagjaar 2008 bepaalde voordelen van het kind ten laste zijn tussen beide ex-echtgenoten automatisch worden verdeeld. Het is dus niet langer nodig dat de ex-echtgenoten jaarlijks deze vraag bij hun belastingaangifte moeten herhalen, zoals dit voorheen het geval was.
De splitsing van het belastingvoordeel is echter niet meer mogelijk voor een kind waarvoor de onderhoudsuitkering door één van beide ouders wordt afgetrokken. Er zal dan ook moeten worden nagegaan wat fiscaal de beste regeling is.

 

top